| Column Collectief | ||
columns en korte verhalen van zes Rotterdammers | ||
Nieuwe columns.. |
Nieuwe columns.. |
Adrie Kuil | Styn Haanstra | Dick van den Berg | Ees de Winter | Els Ackerman | Joke Tacoma | Mini columns | Links | Home | |
Op alle columns rust auteursrecht, dus niets mag gekopieerd, gepubliceerd of gebruikt worden zonder toestemming van de auteur. |
Blits |
| Terug naar huis hebben we tegenwind. Ik fiets voor oma uit. We komen uit Rotterdam. Nieuwe kleren heb ik gekregen. 'Ga jij met hem naar de stad om nieuwe kleren?' heeft mijn moeder aan oma gevraagd. 'Als ik iets mooi vind, zegt hij: stom. Alles wordt afgekraakt wat ik hem aanprijs. Naar jou luistert hij wel.' Bij Peek&Cloppenburg gaat oma op een stoel zitten. 'Zoek eerst maar een jas uit,' zegt ze. Ik weet precies welke ik wil: een zwarte zeemansjekker met zilveren knopen. Oma vindt het direct goed. 'Nu nog een broek.' Een ribbroek had ma bevolen. Maar ik wil geen keurige ribfluwelen broek. Aarzelend trek ik uit het rek een lichtblauwe heupbroek met een zwart visgraatmotief en wijd uitlopende pijpen. 'Trek hem maar aan,' zegt oma. Ik mag gelijk een strakke zwarte coltrui passen. Oma vindt me net een Beatle. Ik houd haar een psychedelisch overhemd voor, met door elkaar kolkende pasteltinten en een boord met lange punten. 'Ma krijgt helemaal een rolberoerte als ik hier ook nog mee thuis kom.' 'Dan krijg je die van mij,' beslist oma. We lopen in op twee fietsers. Dames van gevorderde leeftijd. Wanneer we ze bijna hebben ingehaald hoor ik gefluit achter me. Ik kijk om. Oma. Ze fluit als een bouwvakker. Ik wijs lachend naar mijn voorhoofd. De twee vrouwen voor me draaien zich hoopvol om. Ze beginnen te giechelen. En blijven omkijken. Het lachen vergaat me; veertien ben ik en schaam me dood. 'Broer, je kan beter naar een meisje van je eigen leeftijd fluiten,' zegt de één. 'Deugniet,' roept de ander als ik ze recht voor me uitkijkend passeer. Achter me hoor ik oma schaterlachen. Zonder nog om te kijken fiets ik hard door. 'Waar is je oma?' vraagt ma. 'Jij hebt nog een stommere moeder dan ik,' bijt ik haar toe, als ik bonkend de trap op storm met de tassen vol Beatlekleren. Oma krijgt de wind van voren. 'Gedraag je nou eens naar je leeftijd mens,' foetert mijn moeder. Als ik haar de kleren laat zien hapt ze naar adem. Met een klap gooit ze de kamerdeur achter haar dicht. 'Je opa had vroeger ook een zwarte jekker,' zegt oma. 'Op de fiets dacht ik aan hem. Hoe hij er uitzag toen we jong waren. Groot. Breed. Rossig haar. Hij was een vrolijke. We hadden altijd lol. Al kon hij ook vreselijk serieus zijn. Ernstig. Als hij zo'n bui had kon ik het nooit laten hem te plagen. Ik kreeg hem zo aan het lachen. Die herinneringen maakten me baldadig. Jouw rug, werd opa's rug. Voor ik er erg in had floot ik.' 'Die vrouwen dachten dat ik naar hen floot,' zeg ik half verongelijkt, half lachend. 'Ik deed het bijna in mijn broek,' kreunt oma en ze begint weer te lachen. 'Maar je hebt een mooi stel kleren,' zegt ze als we uitgelachen zijn. Hoe noemen ze dat tegenwoordig ook alweer?' 'Blits.' |
© Ees de Winter |
januari 2010 |
Murw |
| 'Met Kím! Hee, hallo hoe istie?' ... 'In de trein, naar Utrecht. Kga effe chillen, bij Dylan.' ... 'Gewoon, een naveltruitje en sneakers. Vorige keer zeidie, hee, waar zijn je hákken! Maar ik ga me voor hem niet dressen weet je.' Lekker mijmeren in de trein is er niet meer bij. Twee bankjes van mij vandaan zit Kim, te bellen. Iedereen in een straal van vijf meter hoort waar ze naartoe gaat, wat ze draagt, wat ze gaat doen, dat Dylan de vorige keer haar boxershort kapot heeft gemaakt, dat ze van hem een nieuwe op haar verjaardag zal krijgen, maar dat ze dat te min vindt. Kwartiertje later, nu achter mij. 'Hee, met mij... Nee, nog in de trein. Ik ben zenuwachtig joh... Ze zeiden dat het best een zwaar sollicitatiegesprek kan worden...' De volgende tien minuten worden we bijgepraat over voorbereidingen, treinkaartjes en opgelopen vertragingen. Alsof Kim ons nog niet murw genoeg had gekwekt. Anderhalf uur later zit ik in mijn eentje in de wachtkamer van mijn tandarts en waan me veilig voor verbale terreur. Opeens zwaait de deur van de spreekkamer open. Een slanke vrouw van middelbare leeftijd wankelt onvast naar buiten en zijgt neer op een stoel. 'Het zit er weer op', spreek ik haar bemoedigend toe. 'Nou, en het valt niet mee hoor', antwoordt ze dankbaar. 'Ik had vannacht al een slaappil genomen, ik lig er anders wakker van. Als je ouder wordt, doet het steeds meer pijn. Ik ben nou vijfenvijftig. En in de overgang, dus ik heb ook nog van die opstijgers', en ze gebaart wild met haar armen in de lucht. 'Mijn gebit doet telkens zo'n zeer, maar de tandarts kan niets vinden. Ze zijn hier heel lief hoor, maar vervelend is het wel. Vijf jaar geleden had ik ook al borstkanker. En ik heb niet eens veel', demonstratief knijpt ze in haar borsten, 'maar toch dertig keer bestraald. 't Is nu bijna vijf jaar weg.' Haar spraakwaterval leidt nog langs haar zoons, verjaardag en gewicht, tot ik eindelijk de spreekkamer in word geroepen. Sommige mensen kunnen altijd wel praten. Er was jaren geleden eens een date die mij rücksichtlos afserveerde toen hij hoorde dat ik uit Friesland kom. Volgens hem praten Friezen te weinig. Dat valt wel mee, we lopen er alleen minder mee te koop. |
© Styn Haanstra |
Zaagmolenstraat |
| Het liep tegen Sinterklaas toen ik met de auto vanaf de Bergweg de Zaagmolenstraat insloeg. Het was vroeg in de ochtend. En ondanks de helderblauwe lucht dook ik een tunnel van claustrofobie in. Wat een straat.. Geen boom te zien. De tram op anderhalve meter van je voordeur. Soms een onduidelijk winkeltje. Er komt geen einde aan. Ik glibberde de tramrails op en af bij het inhalen van een fietser. Toch heeft die straat iets. Hij is niet te veranderen, ook al zijn de woningen gerenoveerd en de bewoners geïmporteerd. Hij blijft zichzelf. Een Rotterdamse straat met arbeiderswoningen. Zo'n honderd jaar geleden in grote haast gebouwd. Ik remde voor een zebrapad en dacht aan de Rotterdammer waarvan dit de geboortegrond is. Op zijn 22ste vertrok hij naar New York. Als verstekeling op een oceaanstomer. Zo'n twintig jaar later, in 1948, schreef hij voor het eerst een brief aan zijn vader in Nederland, met daarin de zin: 'En terwijl ik naar bed gaat denk ik aan de Zaagmolenstraat.' Willem de Kooning dus. Toen Willem vijf jaar was, gingen zijn ouders uit elkaar. Tot zijn verdriet werd hij toegewezen aan zijn moeder. Zij was een bazige vrouw met wie hij altijd ruzie had; zie zijn vrouwenschilderijen. Met zijn vader kon hij goed opschieten, al heeft hij hem na zijn vertrek uit Nederland nooit meer gezien. Wat kon die jongen tekenen! Er was weinig geld na de scheiding. Dus werkte Willem vanaf zijn twaalfde in een atelier waar ze reclametekeningen maakten. Op zijn zestiende lukte het hem om naar de avondacademie te gaan. En hij wilde niet naar Parijs, zoals alle kunstenaars, maar naar New York. En ineens zag ik hem fietsen, vlak vóór me: Als ik 's ochtends vroeg door de Zaagmolenstraat Op een oude fiets naar mijn werk toe gaat Langs die dooie tramrails, wat zijn ze strak en koel Dan schijnt de lage zon recht in mijn smoel In mijn tas heb ik potloden en een groot cahier Om te kunnen werken op een reclame-atelier Ik schetst en ik tekent daar een lange dag Tot ik om een uur of zes naar huis toe mag Met wind tegen, het is al koud en laat Komt ik weer door diezelfde lange straat Naar mijn moeder en de hutspot fietst ik terug De tram voor me, een rilling over mijn rug |
© Dick van den Berg |
december 2009 |
De keukentafel |
| Iedere Bekende Nederlander heeft een keukentafel. Aan die tafel laat hij of zij zich bij voorkeur interviewen. Lekker spontaan en ongedwongen. Heel wat anders dan op de bank of in het café, zoals vroeger. In elk interview lees ik: 'aan de keukentafel praten wij over...' In mijn fantasie zie ik de designkeuken met het los opgestelde keukenblok, de afzuigkap daar boven en de kilometers aanrecht er achter. Bij de terrasdeuren de grote ronde of ovalen tafel, zorgvuldig uitgezocht door de binnenhuisarchitect. Een sjieke tafel, een tafel die indruk maakt. Maar een keukentafel? Ik denk aan het wankele houten tafeltje in de keuken van mijn moeder, weggeschoven tegen een zijmuur. Met laatjes voor de rolletjes touw, het keukenbestek en de oude theelepeltjes. Dat tafeltje kon nog jaren mee op de studentenkamer van een van mijn kinderen: 'het tafeltje van oma'. In mijn eigen keuken past helemaal geen tafel, die staat gewoon in de kamer. Om aan te eten en te werken. Gelukkig dus maar dat ik geen Bekende Nederlander ben. Want zonder keukentafel tel je niet mee. |
© Els Ackerman |
november 2009 |
Ik Ben Niet Gek |
| In de groentezaak staat tussen het fruit een enorm boeket rode tulpen. 'Eén pond andijvie.' De groentevrouw stopt de oranje groente in een zak. 'Anders nog iets?' 'Ja,' zeg ik, 'een komkommer. Ik eet hem gelijk op.' De vrucht is goed geel, er zitten al bruine vlekken op. Ik trek de schil er af en bijt in het witte vruchtvlees. Nance, de groentevrouw, hangt over de toonbank, de ellebogen geplant op het glazen blad, haar vlezige kin rust op haar handpalmen. Ze heeft een snor en is zwaar opgemaakt. Twee borsten, gestoffeerd met kroezelig borsthaar, zwabberen frank en vrij in een laag decolleté. Met getuite lippen bestudeert ze me. Halverwege de komkommer zeg ik: 'Mooie tulpen.' 'Van een aanbidder gekregen.' Nance draait met haar ogen. 'Het zijn er honderd.' 'Nou, die moet wel stapelgek op je zijn.' Ze bloost. 'Anders wel een klerewerk die stekels van de tulpen afschrappen.' Op de lepel liggen oranje blokjes. 'Daar komt een vogeltje aangevlogen die zomaar in Linekes mondje wil vliegen.' Met wat omtrekkende bewegingen breng ik de lepel andijvie richting mijn dochters mond. Ze houdt haar lippen stijf op elkaar. Uit armoede knijp ik haar neus dicht. Minuten lang. Ze loopt rood aan, maar haar lippen blijven opeen geperst. 'Toe Ees, laat maar,' zegt mijn vrouw, 'ze is nog maar 23, eigenlijk te jong voor die bittere groente.' Ik laat de neus los en leg de lepel neer. 'Pim Fortuyn heeft zijn Italiaanse tombe verlaten,' zegt mijn dochter alsof er niets gebeurd is. 'Hij woont weer in Nederland. En hij is niet kaal meer, hij heeft nu een bos knalrood krulhaar. Met een zwartbont varken, dat drie keer loeit als ze gemolken wil worden, en twee hondjes woont hij in een rijtjeshuis.' 'Altijd al gedacht dat hij een clown was,' zeg ik. 'En,' vervolgt Lineke, 'in NRC Handelsblad staat dat hij verliefd is op onze groentevrouw Nance. Honderd rode tulpen heeft hij bij haar laten bezorgen. Zijn hondjes zijn stikjaloers. Pim geeft ze regelmatig een rotschop, want ze lopen de hele dag te kakelen en leggen geen eieren meer.' 'Já,' zeg ik, terwijl ik de lepel met andijvie weer oppak en razendsnel in Linekes mond stop, 'voor het smeuïge nieuws moet je de NRC lezen.' Mijn dochter is even totaal overdonderd, dan spuugt ze met alle kracht de andijvie weer uit. De oranje groente zit op het behang, in de gordijnen, aan de schemerlamp... 'At your service,' kirt dochterlief en kijkt me triomfantelijk aan. Het binnenvallende zonlicht zet haar rode krullenbos in vuur en vlam. Uiterlijk rustig zegt mijn vrouw: 'Ees neem je prak mee en ga op de trap zitten, je mag pas terugkomen als je bord leeg is.' Ik ga halverwege de trap zitten en zet het bord met andijvie, aardappelen en een gehaktbal op mijn hoofd. Ze moet niet denken dat ik op de trap ga zitten eten. Ik ben niet gek. |
© Ees de Winter |
november 2009 |
Carrière ongelukje |
| De afdeling BTZ. Zeven mannen kijken aandachtig naar hun beeldscherm, af en toe beroeren ze toetsenbord of muis. Twee flex-plekken zijn leeg. Hun bijnaam binnen het bedrijf is Bijzondere Technische Zakken. De deur gaat open en de directeur stapt binnen. 'Goede morgen heren. Graag wil ik uw nieuwe afdelingshoofd bij u introduceren.' Achter hem verschijnt het stevige postuur van ir. Pauline van Soest, mooi grijs mantelpakje, met haar alsof ze net bij kapper vandaan komt, flatjes aan de voeten. Begin dertig, sinds twee jaar bij de dienst. Houdt van aanpakken. Toen haar eerste baas haar vroeg: 'Waar zie je jezelf over vier jaar zitten?' was haar antwoord: 'Op uw stoel.' De directie noemt haar ambitieus. Haar benoeming past in de nieuwe quotum-regeling voor meer vrouwen in de top. De mannen van BTZ waren hier bang voor. 'En geen gevoel voor humor, heren,' zegt van Beveren na de introductie. De eerste weken kijkt men van beide kanten de kat uit de boom. Tijdens het werkoverleg hangt er een gespannen sfeer. Na een maand licht Pauline het nieuwe beleid toe. Langs haar neus weg meldt ze: 'Toen ik het gisteravond om half één afrondde was ik er echt tevreden over.' Verhagen trekt een gezicht of hij een zojuist gebruikt toilet betreedt. Het lijkt het signaal voor muiterij. De week daarop treft van Bohemen 's ochtends een boeket bloemen aan op zijn bureau. Hij is jarig en even later komt Pauline opgewekt de afdeling op. Ze geeft van Bohemen een ferme hand: 'Van harte gefeliciteerd. En ga je het vanavond nog uitgebreid vieren?' 'Nou eh, dat valt wel mee.' Van Bohemen voelt zich overvallen en bewaart afstand. Het wordt een ongemakkelijk gesprekje. Pauline is niet uit het veld geslagen. Met een zonnig 'Een prettige dag nog heren,' verlaat ze de kamer. 'Wat een klef gedoe,' verklaart Verhagen. 'Of een poging tot omkoperij,' nuanceert van Beveren. Later die dag hoort iemand haar in het bedrijfsrestaurant zeggen: 'Het wordt tijd om het 'people management' binnen die club handen en voeten te geven.' Van Bohemen snuift minachtend als hij het hoort. Verhagen, die een maand later jarig is, heeft voor die dag drie bouwvergaderingen gepland. "Is Verhagen er niet? Hij is toch jarig?" informeert Pauline. Van Bohemen is de enige die opkijkt van zijn scherm: 'Bouwvergadering, de hele dag.' Het boeket blijft onaangeroerd. Twee weken later is Ravelli jarig. Hij is de hele dag op inspectie. Een paar maanden later wordt Pauline benoemd tot hoofd Business Development en Innovatie. Bij BTZ stelt van Bohemen: 'Wij krijgen geen plaats in haar cv.' Instemmend gebrom, verder hebben ze het er niet meer over. |
© Dick van den Berg |
november 2009 |
Gepiepeld |
| Ik ben een crimineel. Tenminste, volgens V&D in Rotterdam. En ook de Bruna in Groningen, Pipoos in Den Haag en het Kruidvat in Landgraaf nagelen me aan de schandpaal. Overal waar ik aan het winkelen ben, word ik uitgemaakt voor dief. Zodra ik door een antidiefstal-poortje naar binnen loop, breekt de hel los. Schril gepiep dat door merg en been gaat, doet iedereen in een straal van tien meter opkijken. Naar mij. Eerst schrik ik zelf even hard en kijk onschuldig om me heen. Maar na een aantal keren is die blik op en kijk ik betrapt, wat mijn situatie er niet geloofwaardiger op maakt. Een poosje los ik het op door naar de dichtstbijzijnde caissière te kijken, die me dan naar binnen wuift met een blik van verstandhouding: 'ik weet dat je piept, dus heb je straks niks gestolen'. Even later kan ik er dan tussenuit piepen zonder dat de bedrijfskleerkast me in de kraag vat. Maar leuk is anders. Als ik een winkel niet per se in hoef, doe ik dat niet meer. Mijn bankrekening vaart er wel bij, maar mijn plezier in funshoppen is voorbij. De verkoopster van de Bruna wil me helpen. Ze haalt mijn tas over haar scanner. 'Ik hoor geen piepje, dus je spullen zijn het niet. Dan zit het in je kleren. Of schoenen. Het gaat vaak om een piepklein stripje,' legt ze meelevend uit. Mijn jurkje, denk ik, dat is het nieuwst. Maar nadat ik in andere outfit de bellen weer laat rinkelen, beschuldig ik mijn gympies. En als ik die de volgende piepsessie ook niet draag, weet ik het niet meer. Ik ben getraumatiseerd. Durf geen winkel meer in. Wie zegt dat ze niet denken dat ik in de vórige winkel iets heb gestolen? Wanneer ik zelfs in de bibliotheek tegen de lamp loop, zet mijn radeloze blik de toegesnelde beveiliger aan tot een daad van grote compassie. Eerst laat hij me zonder tas door de poortjes lopen. Geen piep. Dan met tas. Píep. Eén voor één haal ik alles er uit en hou het tussen de poortjes. Het is uiteindelijk de portemonnee die piept. Wanneer de inhoud op de balie ligt, herkent mijn redder het probleem: de losse metrokaartjes die ik altijd bij me heb voor visite van buiten de stad. Daar zit een etiketje in van aluminiumfolie dat alarmpoortjes kán laten piepen. Ik ben alweer maanden piepvrij, maar voor het leven geconditioneerd: loop ik door een antidiefstal-poortje, hoor ik een piep. In mijn hoofd. En dat is ook niet fijn. |
© Styn Haanstra |
De Laatste Schrijfster |
| Rosita Steenbeek is te gast bij het Rotterdamsch Leeskabinet. Aan de boorden van de Maas komt ze in Podium O 950 vertellen over haar boeken. De zaal is afgeladen met een voornamelijk 50+ publiek. Ria en ik zijn er ook. Omringd door een hofhouding van middelbare dames komt de schrijfster als laatste binnen. Ze is klein, maar in figuurlijke zin torent ze boven haar entourage uit. Haar zwart zigeunerinnenhaar deint op haar schouders. Ze draagt een bloedkoraalrode robe en pumps. Haar loopje en gebaartjes zijn die van een relnicht; het heeft iets vertederends. De vrouwen om haar heen zijn door Rosita's uitstraling gedegradeerd tot mottenballenburgertutten. Eén van haar vazallen zeult een stapel boeken mee. Plechtig stalt Rosita ze uit op een tafel. Dan begint ze te vertellen. Dominee wilde ze worden, maar na een half jaar ruilde ze de theologiestudie in voor die van de literatuur. 'In de literatuur vind je alles, ook God,' citeert ze Alberto Moravia. Na haar studie ging ze in Rome wonen. Ze had liefdesverhoudingen met drie beroemde Italiaanse mannen. Oude mannen. Voor alle drie was ze de laatste vrouw in hun leven. En in elk van hen vond ze iets van haar vader terug, met wie ze een complexe relatie had. Ze schreef er een boek over: De Laatste Vrouw. 'Quatsch,' fluistert Ria in mijn oor, 'dat heeft niets met haar vader te maken, ze valt gewoon op oude mannetjes.' Gepassioneerd vertelt Rosita over haar boeken; hoe ze op de ideeën kwam, de research en dat ze altijd weer achter het monumentale bureau van haar vader belandt voor het echte schrijven. Italië en de dood zijn haar thema's. In de pauze kun je haar boeken kopen en laten signeren. 'Het moet een feest zijn voor Rosita om hier te spreken,' zegt Ria vanachter haar cappuccino, 'al die oude mannen die hier rondlopen.' En lachend: 'Met jouw witte kop behoor je ook tot haar doelgroep.' Ik schaf Ander Licht aan, een roman over een Amersfoortse schildersfamilie in de achttiende eeuw. Geduldig wacht ik op een handtekening. Voor mij een hele oude man, die de twee boeken over Rome heeft gekocht. Hij staat wankel op zijn voeten en beeft. Als hij aan de beurt is, vertelt hij Rosita dat hij in Rome heeft gewoond. Met een hand steunend op de tafel haalt hij herinneringen op aan die tijd. Rosita is een en al aandacht. Voor ze de boeken signeert, glimlacht ze naar de man en streelt zijn hand. Haar nagels zijn aubergine gelakt. Ze vraagt of er nog iets bijgeschreven moet. De oude dicteert haar twee lange opdrachten, voor ieder boek een verschillende. Ik leg mijn boek voor haar neer. 'Voor Ees,'zeg ik. 'E e s?' Ze kijkt me vragend aan. Ik knik. Ze schrijft het op het schutblad, haar naam eronder en de datum in Romeinse cijfers erboven. Voor ze me de roman terug geeft, wrijft ze over het kaft. Een lange haarlok hangt in haar gezicht. 'Alsjeblieft.' 'Dankjewel.' Na de pauze vertelt ze over de dood van haar vader en het auto-ongeluk kort daarna, waar zij en haar moeder zwaar gewond bij raakten. Daarover en over de lange periode van herstel schreef ze Intensive Care. Dan anekdotes over het warme Sicilië, en het door het water bedreigde Venetië. Ik hang aan haar lippen; er is een dominee aan haar verloren gegaan. Eén van de mottenballendames maakt een eind aan Steenbeeks sprankelende monoloog. De tijd is op. Ik besluit nog een boek te kopen: Ballets Russes, een Venetiaanse roman. Voor het schrijven liep ze mee met de doodgravers van San Michelle, het kerkhofeiland waar de hoofdpersoon werkt. Een begrafenisdienaar probeerde haar te versieren in een lijkkistenshowroom. Ik sluit nog een keer aan bij de rij wachtenden voor de signeertafel. Op mijn verzoek schrijft ze weer: Voor Ees. 'Ben je wel eens in Venetië geweest Ees?' 'Nee, wel in Napels.' 'Napels is ook heel mooi.' Ze zegt het op een toon of ik een schooljongen ben en zij de juf. Zo voel ik me ook: een schooljongen; een schooljongen die verliefd is op de juffrouw. Zouden Fellini en Moravia, daarom zo dol op haar zijn geweest? Niet om haar eruditie, noch om haar schoonheid, maar omdat ze de jongen in de grote kunstenaars op leeftijd aansprak. Wil eigenlijk iedere man dat niet: jongen zijn? Voor we naar huis gaan eten Ria en ik nog een broodje in eetcafé Hoofdstuk II. Op de tafel ligt een stapel boeken van Rosita Steenbeek. In een opwelling kocht ik ook nog de andere titels die op de verkooptafel lagen. De schrijfster schreef in elk boek op het schutblad: Voor Ees, er onder haar naam en er boven in Romeinse cijfers de datum. Ria kijkt met een spottend lachje naar het stapeltje van acht boeken. 'Ik ben zo bang dat je nu gauw dood gaat,' zegt ze. 'Dat Rosita de laatste schrijfster wordt die je leest.' |
© Ees de Winter |
september-oktober 2009 |
Slaaplezen |
| Lezen doe ik in bed. Bij voorkeur boeken waar mijn ogen na tien minuten van dichtvallen. Die zijn er gelukkig genoeg. Een enkele keer vergis ik me, en dat kost flink wat nachtrust. Het boek is dan zo spannend dat ik tot half vier doorga. Beladen met schuldgevoel, want natuurlijk moet ik weer vroeg op. Het gebeurt ook wel dat ik om één uur het boek met spijt weg leg. Laat ik maar gaan slapen, anders gaap ik morgen zo inspirerend dat ik iedereen aansteek. Na een uur schapen tellen ben ik nog wakker. Dan kan ik net zo goed lezen, is mijn excuus. En zo wordt het weer half vier of gewoon tot het boek uit is. Ik zoek dus boeken die niet zo spannend zijn dat ik wakker blijf, maar ook niet zo slecht dat ik me erger en dan van kwaadheid niet kan slapen. Die boeken vind ik bij de bibliotheek. Daar hebben ze literaire romans en verhalenbundels die prachtige recensies krijgen, maar geen hond leent ze. Prachtboeken die zo goed - maar slaapverwekkend - zijn dat ze altijd in de kast staan. Muurbloempjes. Precies de boeken waar ik zo heerlijk mee in slaap val. Schrijvers waar ik vaag van gehoord heb, maar zelden of nooit gelezen. Zo leende ik onlangs een boek van een schrijver, die ik pas nog op de tv gezien had. Zal ik hem dan maar meenemen, dacht ik, het was best een aardige man, lijkt me niet ongezellig in bed. Hoogstens een beetje gênant. Hij heeft een week naast mijn bed gelegen, op de stapel. Ik kwam er niet doorheen. Maar ik heb heerlijk op hem geslapen. |
© Els Ackerman |
C2000 |
| Veel vertrouwen had ik er al niet in. In dat nieuwe communicatiesysteem van de overheid met de nietszeggende naam C2000. Drie jaar geleden plaatste het ministerie van Binnenlandse Zaken tot verbijstering van de buurt een C2000 stralingsmast vlak voor onze huizen. Tijdelijk, verzekerde het ministerie mij, want bínnen een jaar zou het 45 meter hoge gevaarte weg zijn. Na een jaar stond het er nog steeds. Pas na twee jaar klagen verwijderde het ministerie onlangs deze mast des aanstoots. Sindsdien betekent C2000 voor mij hetzelfde als incompetent.
Het verbaast mij dan ook niks dat het systeem dit jaar op belangrijke momenten faalde: na de Turkish Airlines crash bij Schiphol, na de aanslag op Koninginnedag in Apeldoorn en tijdens de rellen op het strand van Hoek van Holland. Het heeft anderhalf miljard euro gekost, maar dan heb je ook wat: een systeem dat niet werkt wanneer je het écht nodig hebt. Volgens het ministerie ligt het niet aan het systeem, maar aan de hulpverleners. Die sufferds gebruiken allemaal hetzelfde gesprekskanaal, terwijl er per kanaal slechts één persoon aan het woord kan zijn. De agent die bedreigd wordt door hooligans, de brandweerman in het brandende huis: ze moeten zelf een vrij kanaal zien te vinden. Waarom doet het peperdure C2000 dat niet automatisch? Ik hoef met mijn mobieltje toch ook niet eerst een kanaal te kiezen? Sommige brandweerkorpsen gebruiken nog hun oude systeem. Die hebben er kennelijk ook niet veel vertrouwen in. |
© Adrie Kuil |
september 2009 |
Umbrië |
| Het is acht uur in de ochtend en de lucht is van het helderste blauw. Ver weg besneeuwde toppen van de Apenijnen. In de schaduw is het koud. Met wandelvrienden ben ik in Umbrië. We krijgen ons ontbijt op het terras van het hotel. In de bar van ons onderkomen is het vol met Italianen uit het dorp. Luid pratend nuttigen ze hun koffie en een dolce. Ze groeten ons vriendelijk, met verbaasde belangstelling, soms wat meewarig. Wij nestelen ons in de ochtendzon om onze spieren op te warmen. Gisteravond, na het eten, toverde de eigenaar van het hotel een beslagen fles uit de diepvries om ons een glaasje citroenlikeur in te schenken. En nog een keer. Limoncello is lekker maar verraderlijk spul dat in mijn hoofd nog nawerkt. Traag bespreken we de slechte nachtrust, een blaar en de zere knieën. De geur van koffie zweeft over het terras. Ik verheug me op de komende dag, de pennen van de stekelvarkens die ik zal vinden, de geluiden van onze vaste begeleiders: de nachtegaal, de wielewaal en de hop (ik wist niet eens dat-ie bestond) maar inderdaad: hop-hop, hop-hop-hop. Wij volgen zo'n beetje dezelfde paden die Franciscus van Assisi hier in de twaalfde eeuw bewandelde. De Italianen vereren hem zeer. Vanwege zijn filosofie dat ook een arm mens goed kan zijn. Overal vinden we herinneringen aan hem. Met zijn preken kreeg hij een enthousiaste beweging van de grond. Hij liep twee keer van Assissi naar Rome om de orde die hij stichtte goedgekeurd te krijgen door de paus. Die leek het uiteindelijk verstandig om zo'n vreemde snuiter met veel aanhang maar binnen de kerk te houden. Franciscus was een originele man. Zo bedacht hij de levende kerststal (marketing-man avant la lettre) en ooit hield hij een toespraak voor de vogels, iets wat ik me, hier en nu, beter kan voorstellen: 'Uccellata e uccellini', 'Grote vogels en kleine vogels, luister...' De hop en de wielewaal moeten naar hem geluisterd hebben. De route naar het volgende hotel is uitgestippeld. Zeventien kilometer lopen. Dat is niet zoveel maar wel zwaar, met 900 meter stijgen en 700 meter dalen. Het is te doen als er geen gekke dingen gebeuren. En ach, mijn conditie neemt met de dag toe. Verrassingen zijn er altijd, niemand weet hoe hoog het water staat in de beken waar we doorheen moeten. Het weer kan omslaan en verdwalen overkomt ons ook. Voldoende drinken mee. Mijn hele huishouden samengeperst tot tien kilo op mijn rug. Straks bij een alimentari eten kopen voor onderweg. De zon is aangenaam warm. Een immense rust komt over mij. Het leven is delicioso. |
© Dick van den Berg |
september 2008 |
De laatste vraag |
| Het sollicitatiegesprek voor de zware managementbaan loopt op zijn eind, alle moeilijke vragen zijn gesteld. De sollicitant heeft voldoende ervaring, ze heeft zich goed voorbereid. Een zware dag, dat wel. Twee gesprekken met verschillende commissies. De vragen overlappen elkaar gedeeltelijk, en ze voelt wat irritatie als ze voor de tweede keer haar verhaal vertelt. Waarom ze solliciteert, waarom juist bij deze instelling, wat haar managementstijl is. Ze geeft voorbeelden hoe ze een situatie aanpakt, maar vertelt ook van moeilijkheden waar ze tegenop liep en hoe het verderging. De spanning glijdt langzaam weg. Het gaat goed, ze maakt contact, ze voelt het. Ze heeft haar huiswerk gedaan: het jaarverslag gelezen, regionale kranten bekeken, het organisatieschema en de website bestudeerd. Rondgebeld in haar netwerk, achtergronden van de verwikkelingen binnen de instelling boven water gekregen. Ze weet zelfs waarom haar voorganger echt wegging, en houdt haar gezicht in de plooi als de voorzitter meldt dat de vacature is ontstaan door interne verschuivingen. 'Dit is het beste gesprek dat ik totnutoe gevoerd heb', zegt ze tegen zichzelf. Ze kijkt terug op uitnodigingen voor interessante functies. De eisen die ze stelt zijn duidelijk: werk dat haar uitdaagt, dat ze niet met haar ogen dicht en drijvend op haar routine kan verrichten. Niet op de winkel passen, maar een organisatie in verandering leiden en zichtbaar resultaat behalen. Voor haar geen glazen plafond. In de laatste minuten weet ze het gesprek nog een draai te geven die haar in staat stelt haar overige interesses te etaleren. Haar ademhaling is rustig, haar rok van een lengte dat ze ook met haar benen over elkaar kan zitten zonder zich ongemakkelijk te voelen. De koffie is op, de lijstjes zijn van twee kanten afgewerkt. Ze verheugt zich op de lange treinreis naar huis, eerste klas, rustig zitten met een boek en terugkijken op het gesprek. 'Ik heb de baan wel', denkt ze, 'en ik doe het ook'. De voorzitter kijkt de tafel rond, klaar om af te sluiten. Alom geknik, het is OK zo. 'Dan heb ik zelf nog een vraag,' zegt hij, 'die wil ik toch even kwijt. Mevrouw, kunnen we met u ook nog lachen?' In de trein vraagt ze zich af hoe ze zo zeker weet dat deze baan niet doorgaat. |
© Els Ackerman |
Schoonheid went |
| Tranen lopen over mijn wangen. De klanken van de vleugel, samen met de zuivere stem van mijn zangleraar ontroeren me. Hij weet dat dit het grootste compliment is dat ik hem kan geven en is eraan gewend geraakt. Ontroering kun je niet faken. Muziek kan me tot in het diepst van mijn ziel raken. Daarom ga ik naar concerten. Alleen. Dan kan ik me laten gaan en hoef ik niet uit te leggen dat ik geen verdriet heb, maar juist het mooiste ervaar dat mogelijk is. Zoals Jaap van Zweden bij Zomergasten zei: non-dualiteit. Zo is het precies, ik ga op in de muziek, weet niet meer waar ik ben. Alles is muziek, klank. Mijn hoofd zit vol schoonheid. Ik ben weg. Word opgetild. Maar de laatste tijd raak ik minder vaak ontroerd. Bij vioolles is er ineens ruimte om te kijken naar wat mijn leraar doet, ondanks de prachtige klanken die uit zijn viool komen. Het overweldigt niet meer. Hetzelfde geldt voor mijn concertbezoek. Ooit waren mijn wangen de hele Mattheuspassion nat, de laatste keer alleen nog bij het 'Erbarme dich'. En zelfs bij zangles houd ik het vaker droog. Ben ik veranderd? Zit ik in een depressie en voel ik daarom minder? Nee, dat is het niet. Ik praat erover met mijn zangleraar. Hij herkent het. Schoonheid went. We huilen allebei. |
© Joke Tacoma |
september 2009 |
Bioscoop |
| Het regent pijpenstelen en we willen vanavond naar de film. Ik fiets als het moet door weer en wind, maar deze muur van water is zelfs mij te bar. We besluiten een keertje met de auto naar Pathé de Kuip te gaan. Lekker groot scherm, lekker grote zaal, lekker de ruimte. Lekker. Wanneer we een dik half uur voor aanvang luxueus met de wagen over de majestueuze Van Brienenoordbrug suizen heb ik het tintelende gevoel dat we goed bezig zijn. We gaan uit - op stand. Op weg naar dé megabioscoop van Rotterdam en zelfs de bestbezochte bioscoop van Nederland! Deze grandeur is aan mij besteed. Aangekomen op een industrieterrein slik ik even. Temidden van fastfoodvreetschuren staat de filmtempel, althans, dat doen de letters op de aluminium pui vermoeden. De entree lijkt meer op de ingang van een snackbar. Met binnen lange rijen voor de muur met kroketten. Die krokettenmuur is er niet, de rijen wel. Ik ga vast naar binnen, terwijl mijn vriend de auto parkeert. Hij blijft lang weg, naar later blijkt omdat er pas plek was op een parkeerterrein een heel eind verderop. Het kost hem geen moeite mij te vinden, ik sta nog steeds achteraan in een van de Russisch aandoende rijen. De gedachte dat we hier voor onze lol staan is ondraaglijk. Als we voetje voor voetje de kassa eindelijk gepasseerd zijn, lopen we in een stroom gelukzoekers richting zalen. We komen echter nog een hindernis tegen: de Pathésuper. Filmfans waaieren uit in een luilekkerland van snoep, chips en drank. Om na dit gelukzalige moment van vrijheid beladen met koopwaar in een kassafuik te lopen; het is weer achter in de rij aansluiten geblazen. De jeugd die deze kassa's bedient veroorzaakt geen stijlbreuk; ze doet wat betreft chagrijn en tempo niet onder voor de collega's bij de kaartjesverkoop. We zakken opgelucht in de riante stoelen: we hebben het gehaald. De film is prachtig en het geluid staat zo hard dat het alle geknisper om ons heen overstemt. Twee en een half uur later zit het er op. Andere films zijn allang afgelopen en we dwalen door een uitgestorven bioscoopcomplex naar de uitgang. Daar mogen we nog een laatste keer. In de rij staan. Voor de toiletten. |
© Styn Haanstra |
augustus 2009 |
Waarom stagiaires assertief moeten zijn |
| 'Kom je zo even naar mijn kamer?' Wat heb ik nu weer gedaan, denkt Annet. Uit de stem van Hank kan ze niets opmaken, het kan vriezen of dooien. Maar ja, als de creative director van hun reclamebureau roept, dan komt ze. 'Heb je al actie ondernomen voor een nieuwe stagiaire?' Dat valt dus mee, geen geschreeuw vandaag. Maar hij biedt haar ook geen koffie aan. 'Ik weet eigenlijk niet of we daar weer aan moeten beginnen.' Hank kijkt haar zwijgend aan. Hoe zal ze dit nu eens inkleden? Ze haalt diep adem en springt in het diepe. 'Die vorige stagiaires waren geen succes. Lieve kinderen hoor, maar een stelletje sufkoppen eigenlijk. Die hogeschool brengt ze wel wat vakkennis bij, maar ze hebben geen idee hoe ze op de been kunnen blijven in zo'n bureau als dat van ons.' Terwijl Hank rood aanloopt voelt ze zichzelf alsmaar kleiner worden. 'Dan zorg jij maar dat ze het wel leren. Daar betaal ik je voor tenslotte. Ik wil volgende week drie sollicitanten zien. En nu mijn kamer uit.' Annet voelt zich op dit moment de grootste sufkop. Hoe kan ze iemand leren wat ze zelf niet kan? Hoe kan ze een student leren assertief te zijn als ze zich zo op haar kop laat zitten door haar baas, net als haar collega's? Even later hangt ze aan de telefoon met de stagecoördinator van de hogeschool. En ze hoort zichzelf zeggen: 'Dit jaar graag een student die echt in de sfeer van ons bureau past. Assertief, iemand die zijn mond durft open te doen, die zich niet meteen in de hoek laat zetten. Die geen moeite heeft met autoriteit.' De stagecoördinator is even stil. Hij haalt hoorbaar adem voor hij zegt: 'Ik zal je de ergste studenten sturen die we in huis hebben. Hoeveel wil je er?' Opgelucht zegt ze: 'Drie om te beginnen. Graag ook een reservelijstje, dan hebben we wat te kiezen.' En ze neemt zich voor te zorgen dat de meest arrogante assertieve onbeschofte student de baan krijgt. |
© Els Ackerman |
juli 2009 |
Mooie benen |
| Afgelopen weekend logeerden mijn vrouw en ik in een chic hotel. 's Avonds dineerden wij er in het restaurant. We waren net begonnen aan de witlofsalade met gerookte kip toen het stel zijn entree maakte. De ober leidde ze naar een tafeltje schuin naast ons. 'Fantastisch, wat een ambiance,' zei de man. Hij trok de pijpen van zijn ribfluwelen broek op en ging zitten. 'Enùrm, dat belooft wat,' zei zij. Samen bediscussieerden ze uitgebreid de kaart. De man maakte, als hij sprak, weidse gebaren; hij had wel wat weg van Pieter van Vollenhoven. De vrouw had een betonkapsel, à la Beatrix. Hij plaatste luid de bestelling. Daarna volgde een uitvoerige gedachtewisseling over de te drinken wijn, na tien minuten hakte de ober de knoop door: hij een frivole fruitige witte, zij de rode huiswijn. Terwijl ze wachtten op het eten, staarden ze in elkanders ogen. 'Fantastisch hè,' zei hij. Zij kneep haar ogen samen en tuitte haar lippen. De ober schonk een bodempje wijn in en gaf het aan de Pieter. Die schudde het glas en rook er aan. 'Fantastisch,' was zijn conclusie. De vrouw hoefde niet te keuren. 'Lá mij jou wijn 's proeven,' zei de man. Hij pakte haar glas en stak zijn neus er helemaal in, snoof luidruchtig en nam toen een grote slok. 'Fantastisch,' prees hij. Zij betastte haar parelmoeren pingpongballenkettingkralen en straalde. Mijn oog viel op de benen van de vrouw. Ze hield ze koket zedig tegen elkaar. Wereldbenen. De vrouw, zeventig schatte ik, had de benen van een twintigjarige schoonheidskoningin. Mijn Ria wilde de koffie op het terras. Buiten zei ze: 'Het was gewoon gênant hoe je naar die mensen zat te loeren.' De volgende morgen zat de vrouw alleen aan een tafeltje in de ontbijtzaal. Haar kapsel in de war. Dromerig staarde ze naar het eenzame croissantje op haar bord. Pieter kwam aanlopen met twee glazen champagne. Triomfantelijk stak hij ze omhoog. Ze toostten. De vrouw kneep haar ogen samen en tuitte haar lippen. 'Het was fantastisch,' zei hij. Logisch, dacht ik, knabbelend op een cracker; een vrouw met zulke benen. |
© Ees de Winter |
juli 2009 |
Angst |
| Vanmorgen merkte mijn zangleraar dat ik niet lekker in mijn vel zat. 'Wat is er?' 'Ik moet een verhaal houden over marketing en acquisitie voor loopbaancoaches.' 'Waar ben je bang voor?' 'Weet ik niet.' Mijn zangleraar legt uit hoe hij als operazanger soms een zaal moet veroveren. 'Dat lijkt me helemaal erg', denk ik, 'dan zitten er honderden mensen in de zaal. Bij mij zijn het er vijf-endertig, dat vind ik al veel.' Ik hoor niet wat hij zegt. Ik heb hoofdpijn en honger tegelijk. Drink koffie terwijl ik normaal thee drink. Ja, waar ben ik eigenlijk bang voor? Normaal zit ik in het publiek. Ik ben zelf loopbaancoach en vind dit soort avonden altijd leuk. Lekker bijpraten met collega's. Het onderwerp van de avond doet er niet toe, het gaat om het netwerken. Om het contact met collega's. Die ook mijn concurrent zijn, want we hebben allemaal een bedrijf. Maar het voelt als collega's. Vreemd, dat ik denk dat al die mensen voor mijn verhaal komen. Er zijn vast meer zoals ik, die alleen willen netwerken. Dan is het handig dat iemand wat vertelt, je kunt daar in de pauze met elkaar over praten. De angst zit hem erin dat ik anders lekker veilig in de groep loopbaancoaches zit en dat ik er nu voor sta. Normaal ben ik dus een van hen en nu expliciet niet. Letterlijk. En daarom ben ik bang om buiten de groep te vallen. Dat ze me aanvallen. Lynchen. De macht van een groep is groot, en ik ben er bang voor. 'Ach', zegt het verstand, 'zo'n vaart zal het niet lopen. Ze zijn beleefd genoeg om naar je verhaal te luisteren.' Eigenlijk is dat beleefde nog het ergste, zo weet ik nooit of wat ik vertel wel overkomt. En of ze iets leren. Of op zijn minst vermaakt worden. Wie zegt dat ze voor mijn verhaal komen? Misschien komen ze alleen om te netwerken. Dan ben ik behang. Ik krijg mijn angst niet weggeredeneerd. Gelukkig, het is zeven uur. Ik moet weg om mijn presentatie te houden. Over vier uur is alles voorbij. Net als bij de tandarts. Ze komen toch niet voor mij. Ze komen om te netwerken. Ik ben alleen behang. B-ang. |
© Joke Tacoma |
juni 2009 |
Schrijfles |
| Nicolien Mizee is romanschrijfster en ze geeft schrijfles. Dat ontdekte ik toen ze columns publiceerde in de NRC. Over die schrijflessen. Ik las ze met rode oortjes, want ik geef zelf ook schrijfles. In het vakjargon heet dat 'schrijfdocent'. Dat woord hoorde ik pas toen ik al een paar jaar lesgaf; ik had geen idee dat het echt een beroep was. Eigenlijk is het ook geen beroep, tenminste niet officieel. Mijn collega's zijn journalist, tekstschrijver, leraar aan een middelbare school, wereldreiziger, romanschrijver of logopedist. Net als in mijn 'echte' beroep (loopbaanadviseur) zijn er vele wegen die naar Rome leiden, maar geen enkele weg is officieel erkend. Lesgeven doe ik dus op een manier die ik zelf heb uitgevonden, ook al heb ik inmiddels talloze boeken in mijn kast over schrijven en alles wat daarmee samenhangt. Nicolien Mizee - las ik in haar biografie - heeft de schrijversvakschool gedaan, maar die leidt op tot schrijver en niet tot docent, voor zover ik weet. En schrijven kan ze. Haar columns over lesgeven aan de Volksuniversiteit laten de wereld van de schrijfcursisten zien. Van de loodgieter tot de hoogleraar, of zoals ik zelf in een van mijn groepen meemaakte, van fietsenmaker tot gynaecoloog. Mizee geeft haar eigen observaties en haar eigen verwondering. De cursisten willen hun verhaal kwijt en de docent probeert de belangrijkste 'verhalenwet' over te brengen: 'in een verhaal komt iemand tot inzicht, hoe klein ook. Hij denkt iets, dan gebeurt er wat, en dan denkt hij iets anders.' Op de achterflap van het boekje 'Schrijfles' (uitgeverij Nijgh & Van Ditmar, ISBN 978 90 388 9111 8) heet dat 'de Eerste Wet van Mizee': iemand wil iets, dat gaat mis, en dan gebeurt er iets anders...' Al lezend ontmoet ik zeer herkenbare cursisten en een docent bij wie ik zo in de klas zou willen zitten. Kopen dus, dat boek. |
© Els Ackerman |
Lelijke eendjes |
| In Groot-Brittannië hebben ze ontdekt hoe je van een zingend lelijk eendje een ster kunt maken. Twee jaar geleden werd Paul Potts, een verkoper van mobiele telefoons, wereldberoemd door de talentenjacht Britain's Got Talent. En dit jaar gebeurde hetzelfde met Susan Boyle, een 47-jarige werkloze vrouw die naar eigen zeggen nog nooit door een man was gezoend. De werkwijze was in beide gevallen hetzelfde. Een slordig geklede lelijkerd komt het toneel op, onverzorgd haar, gezet postuur, slecht gebit. De juryleden kijken elkaar meewarig aan. Het publiek verheugt zich op een afgrijselijk optreden en het vernietigende commentaar van de jury. Misschien gaat deze nooit gekuste kikker wel huilen! Waarom geeft zo'n geboren verliezer zich ook op voor een talentenjacht? De deelnemer stelt zich voor aan de jury en begint te zingen. Tot ieders verrassing klinkt het uitstekend! Verbazing op de gezichten van de juryleden, groot enthousiasme bij het publiek. Bij de eerste hoge noot raken alle aanwezigen buiten zinnen, vrouwen pinken een traantje weg van ontroering. Door het onooglijke uiterlijk lijkt het allemaal extra goed. Na afloop een staande ovatie en lovende kritiek van de jury. De kandidaat kan het nauwelijks geloven. A star is born. Deze aanpak werkt door de herkenning: er zijn veel lelijke eendjes die diep van binnen hopen dat ze eigenlijk een mooie zwaan zijn. Misschien moet ik me ook maar eens opgeven voor een talentenjacht. |
© Adrie Kuil |
juni 2009 |
Vroege herinnering |
| Mijn ouders en oma lachten. Oma, met haar tandeloze mond, schaterde het hardst. Ik lachte niet. Verbaasd keek ik naar de kom met ijs die op het theelichtje stond. In het bevroren water zat oma's kunstgebit vast. Buiten was de wereld wit. De snijdende oostenwind had de sneeuw op hopen geblazen. Het vroor al dagen streng. Uitgelaten baggerden mijn zusje en ik door de sneeuw. We schepten onze laarzen over en vielen meerdere malen languit. Als we slap van de lach weer stonden klopte vader de sneeuw van onze kleren. Hij trok de grote houten slee. Mijn zusje, die voor me zat, hield ik goed vast. De sneeuw kraakte onder ons gewicht. Als een slee-ijzer over een steen gleed klonk er een scherp knerpend geluid. Soms bleven we steken in een te dikke, losse laag sneeuw. Oma was nog maar kort weduwe. In het jaar na opa's dood was ze vaak bij ons. Ze sliep op het zolderkamertje onder de planken van het schuine dak. Op zolder zakte de temperatuur door de aanhoudende strenge vorst onder nul. We lagen met truien en sokken aan onder veel dekens in bed. Als extra bescherming tegen de kou had moe bij mij de dikke soldatenjas van mijn vader over de dekens heen gelegd. Mijn adem bevroor op de deken en veranderde in glinsterende ijskristallen. Oma had twee warme kruiken mee in bed. Op het tafeltje naast haar ledikant stond een kom met water, waarin haar boven- en ondergebit lagen. De schaterlach om de ingevroren tanden was de eerste keer dat ze lachte na opa's dood. Op moeders verjaardag was opa gestorven. Hij en oma waren die dag bij ons. Mijn zusje en ik hadden op zijn schoot gezeten en daarna met hem in de gang met een bal gespeeld. Hij legde de rode bal op de kapstok en zakte in elkaar. Vader bracht ons naar de buurvrouw. Hij droeg ons en liep snel. Hij hijgde, ik voelde zijn hete adem op mijn wang. 'Lenie haar vader is dood gebleven,' zei hij tegen vrouw Bloem. Hij zette ons naast elkaar in de brede leunstoel van de buurman, die voor de tafel stond. Mijn vader rende buiten voorbij het raam. Buurvrouw droeg haar witte haar in een knot. Ze had altijd een bloemetjesschort voor. Wij zaten stil in de stoel en keken naar de chocolaatjes en de koekjes die voor ons op de tafel lagen. Vrouw Bloem spoorde ons aan ze op te eten. Maar we namen er niets van en zwegen bedrukt. Op het fornuis stond hachee te pruttelen, de woonkeuken was doortrokken met een weeïg makende uienlucht. Ineens waren daar mijn andere grootouders. Ze heetten De Winter, maar we noemden ze Brug omdat we een lange rammelende brug over moesten als we bij hen op bezoek gingen. Oma Brug kwam met uitgestoken armen op ons af. In haar ogen las ik, wat ook ik voelde: ontzetting. Ik kroop tegen haar aan en klemde me aan haar vast. |
© Ees de Winter |
maart en april 2009 |
Jona |
| Mijn fiere vlierbes is niet meer. Het was de enige struik aan de voorkant van ons appartementencomplex, maar hij gaf het gebouw karakter. De bakstenen oogden vriendelijker en de bewoners zachter. Maar dat ziet niet iedereen. Gemeentewerkers hebben geen boodschap aan kleffe gevoelens. De enthousiaste groenwerker die op mijn struik stuitte, zag wildgroei; rijp voor de elektrische zaag. Ha, lekker zagen, dacht hij. En zette zijn verwoestende gereedschap in de vriendelijke, frisgroene, zacht wuivende vlierbes. Erg lang heeft hij er geen plezier van gehad, de drie stammetjes waren nog maar polsdik. Vol onbegrip over dit zinloze geweld steek ik mijn hoofd uit het raam als de daad voltrokken is. 'Er liggen hier telefoondraden mevrouw, die struik mag daar niet staan'. De oranje hes kijkt me betrapt aan, maar spreekt met een autoriteit als was hij de burgemeester zelf. 'O, nou...' Ik ervaar ten diepste de betekenis van het woord sprakeloos en sluit mijn mond en het raam. Wat heeft het voor zin te redetwisten over telefoondraden die al jaren probleemloos samenwonen met de wortels van mijn struik. Op internet lees ik zelfs dat de vlierbes maar oppervlakkig wortelt. Weten die gemeentehulken dat soort dingen wel? Ik blus mijn woede met de gedachte dat ik met ruziemaken de struik niet terug krijg. Desondanks blijft de verloren groene vriend mijn gedachten domineren. Is er echt niets meer aan te doen? Tegelijkertijd schaam ik me dat een struik zo op mijn gevoel kan spelen. Ik voel me een moderne Jona; de profeet uit de Bijbel die treurde om een dode boom in plaats van om de bevolking van een hele stad. Maar hé, ik was gehecht aan die vlierbes, dat mag toch wel? Sorry wereldproblematiek, het hemd is nog steeds nader dan de rok en ik mis mijn struik. Op internet vind ik een pleidooi voor het oprichten van een 'meldpunt onzorgvuldig groenbeheer'. Dat gaat ver, maar wat mij betreft is het zo ver. En we noemen het meldpunt Jona. |
© Styn Haanstra |
mei 2009 |
Bakfiets |
| De bakfiets is terug. Vroeger het vervoermiddel van de thuisbezorgende bakker, melkboer, marktkoopman en de verhuizende student. Een grote houten bak met een deksel, geverfd in een onbestemde kleur. Aan de voorkant twee wielen eronder, aan de andere kant het achterstuk van een fiets: zadel, frame en achterwiel - of waren het er twee? Op dat punt laat mijn geheugen mij in de steek. Ook zonder inhoud trapte het al behoorlijk zwaar, maar het was het goedkoopste vervoermiddel en op vele plaatsen te huur. Op een gegeven moment raakte de bakfiets uit de mode. Bezorgende bakkers ook, en de melkboeren veranderden in SRV-mannen met steeds groter wordende vrachtauto's voor hun hele supermarkt-assortiment. Verhuizende studenten hadden geld genoeg voor een rijbewijs en huurden een volkswagenbusje waarin met twee keer rijden de hele inboedel was overgeplaatst. Misschien is er ergens nog een museum van klassieke vervoermiddelen waar de echte bakfiets te bewonderen valt. Dacht ik tot enkele jaren geleden.. Tot ik in het centrum van Rotterdam maar ook in de buitenwijken van Zeist fietsende moeders tegenkwam met kinderen in de bakfiets. Ik begrijp inmiddels dat die bakfiets het meest modieuze vervoermiddel is waarmee je kinderen naar de crèche kunt brengen. Het trapt zwaar, tenzij er voldoende versnellingen op zitten. In het consumentenprogramma Kassa is zelfs al een test uitgevoerd om de stabiliteit en wendbaarheid te bepalen. Mensen die een bakfiets willen kopen, krijgen het advies verschillende merken te bekijken en een proefrit te maken met en zonder kinderen in de bak. Uitkijken bij het nemen van een bocht, de fiets kan omvallen. Er bestaan weer bakfietsfabrieken. Bakfietseigenaren moeten wel beschikken over een plek om het ding te parkeren, want gewoon op de stoep zetten zoals een fiets neemt wel erg veel ruimte in. Op Marktplaats staan er honderden aangeboden, tweedehands. De bakfiets is back. Welk nostalgisch gebruiksartikel vult het volgende gat in de markt? |
© Els Ackerman |
mei 2009 |
Look Right |
| In de hotelkamer in de voormalige County Hall van Londen past mijn tweepotige Europese stroomstekker niet in het driepotige Engelse stopcontact. Ik loop naar Waterloo Station voor een adapter. Waakzaam steek ik de straat over, want ze rijden op dit eiland aan de linkerkant van de weg. Omdat buitenlanders automatisch de verkeerde kant opkijken, staan overal op oversteekplaatsen aanwijzingen zoals LOOK RIGHT, om te voorkomen dat bezoekers doodgereden worden door die rode dubbeldekkerbussen of zwarte taxi's. In een WHSmith vind ik een adapter, voor 6 pond. De euro gebruiken ze hier niet, dus moet ik Engelse ponden telkens in gedachten omrekenen naar euro's. Ik loop naar de kassa en reken af. 'Have a nice day', zegt het kassameisje, ook de taal is anders. Afwijkende stopcontacten, rijden aan de verkeerde kant, een andere munt en een vreemde taal. Hier ben ik echt in het buitenland. |
© Adrie Kuil |
mei 2009 |
X-Factor |
| Gerard Aalders heeft een missie: bewijzen dat prins Bernhard niet deugde en dat hij helemaal geen oorlogsheld was. Aalders is historicus en werkt bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie. Op de televisie maakte hij reclame voor zijn boek, De Prins Kan Mij Nog Meer Vertellen. Ik zag het meteen. Die fanatieke, sarcastische blik en vooral dat neepmondje. Broeder Mosterd. De met een tunnelvisie behepte oorlogsdocumentenheld deed mij denken aan ouderling Mosterd uit mijn jeugd. Niets vond deze zware broeder deugen van onze "moderne" dominee: zijn preken, de catechisatielessen, de bloementuin van de pastorie... Aalders wil door wetenschappelijk onderzoek zijn gelijk aantonen; Bernhard deugde niet en was alleen uit op geld, plezier, seks en macht. Een wetenschapper moet objectief zijn, niet op voorhand al zeker menen te weten wat de uitkomst van zijn onderzoek is. In dat geval bestaat de kans dat hij bewust of onbewust bepaalde feiten gaat negeren. De historicus zou daarvan doordrongen moeten zijn, als geharnast republikein heeft hij toch al de schijn tegen. Ik heb de indruk dat de NIOD-medewerker geen objectief beeld van de prins wil neerzetten, maar dat hij als een fanatieke officier van justitie coûte que coûte de verdachte veroordeeld wil krijgen. Bernhard heeft laakbare dingen gedaan, geen misverstand, maar daarnaast ook veel goeds verricht. Ongetwijfeld zal dat ooit nog eens in een objectieve wetenschappelijke biografie te lezen zijn. Subjectief en onwetenschappelijk stel ik vast, dat de lookalike van broeder Mosterd, Gerard Aalders, totaal ontbeert wat de prins wel had: de X-factor. |
© Ees de Winter |
april 2009 |
Zwart wit |
| Ik heb een hekel aan zebra's. En dan bedoel ik die witgestreepte voetgangersoversteekplaatsen. Ze doen niet waarvoor ze bedoeld zijn: mensen veilig laten oversteken. Rotterdam heeft het eerste knípperende zebrapad van Nederland. Het heet Zebra Alert en bestaat uit een rij led-lampjes in het asfalt van de Westblaak. Zodra iemand aan komt lopen, gaan de lampjes knipperen. Dergelijke kunstgrepen zijn nodig omdat het oversteken van een zebra een levensgevaarlijke bezigheid aan het worden is. Ik weet waarom. Mensen steken niet over, ze blijven juist staan. Neem mijn vriend. In het bezit van zijn rijbewijs, dus je mag aannemen dat hij de verkeersregels kent. Helaas is hij getraumatiseerd door het Amsterdamse verkeer. Aangekomen bij een zebra, kijkt hij als een konijn in de koplampen en staat hij stokstijf stil. Zou hij normaliter al drie keer zijn overgestoken, zo niet bij de zebra, hoe ver het aankomende verkeer ook nog verwijderd is. Dit gedrag vertonen veel voetgangers. Ik heb daar als fietser last van. Als ik kom aanfietsen, heeft de naar de overkant willende zebrawandelaar vaak nog alle tijd van de wereld. Maar nee hoor. Altijd wacht deze sukkelaar tot ik nagenoeg stilsta en we elkaar diep in de ogen kunnen kijken, pas dan blieft het meneer of mevrouw de zebra voorzichtig te betreden. Zulke dwarsliggers moeten het niet gek vinden dat ik de volgende keer doorrijd. Scheelt tijd en is beter voor mijn snelheid en humeur. Dit gedrag vertonen veel fietsers en automobilisten; ze rijden door. Ziedaar, de reden waarom de zebra niet werkt, de gebruiker heeft er zelf om gevraagd. Om dit te doorbreken geef ik als voetganger het goede voorbeeld. Zie ik een zebra, dan móet ik de weg over. Meteen. Dreigend zet ik een voet op de witte balk, waarna het verkeer stopt. Dan schrijd ik over de zebra, als was het een rode loper bij een première. Mijn zendingsdrang conflicteert helaas met mijn verkering; hij vindt het kamikazegedrag. Onze oversteekreflexen raken we niet meer kwijt, maar wanneer je dat accepteert, valt daar prima mee te leven. Als we hand in hand een zebra naderen, laten we elkaar los. |
© Styn Haanstra |
Ode aan mijn TV |
| Je doet het niet zo goed meer, eigenlijk. Vroeger kon ik met jou kijken en video opnemen tegelijk. Dat doe je niet meer. Als je iets opneemt moet ik naar de slaapkamer, kijken op een ander toestel. Ben je gewoon kapot of heb je een eigen wil gekregen? Van mijn moeder was je, een erfstuk, nog zo goed als nieuw toen ze doodging. Ik nam je mee, terwijl ik nooit zo'n bakbeest in mijn kamer wilde. Bijna vijftien jaar geleden nu. Wat houdt me tegen om je in te ruilen voor een flatscreen, zo'n designding dat iedereen tegenwoordig heeft? De tv van oma, zeggen mijn dochters. Zou je nou niet eens een andere kopen, zegt mijn zoon. Hij is de enige die jou kan programmeren of hoe heet dat, als de zenderindeling weer eens gewijzigd is. Misschien ben ik wel van de oude stempel. Ik doe iets pas weg als het echt stuk is. Maar dat is het niet alleen. Je bent de tv van mijn moeder. Gelukkig heb ik ook nog haar boekenkast. Met de gedenkschriften van P.J. Troelstra die ik nooit gelezen heb. |
© Els Ackerman |
april 2009 |
Sterk water |
| Het was Mirko's eerste zeereis. Drie maanden was de Joegoslaaf al van huis. Ansichtkaarten kwam hij kopen in de winkel van oma. Ze hielp hem met uitzoeken. 'U lijkt op mijn moeder,' zei hij in gebroken Duits. Hij snotterde toen hij haar vertelde dat hij zijn familie en vrienden zo miste. 'Komm deezem abond bei mier tsoe hauss,' zei oma in haar beste Duits. 'Gizellieg.' Oma had mij en Letty, het winkelmeisje, gevraagd ook te komen. Letty nam haar broer mee, Bertus. Brede schouders en een vetkuif. Hij ging tussen mij en de jonge zeeman inzitten. Zijn leren jack hield hij aan. De Joegoslaaf nam hem met zijn donkere ogen nieuwsgierig op. Oma schonk koffie in. Letty ging met krakelingen rond. Bertus had zijn pick-up meegebracht. Hij had hem op het dressoir gezet en draaide plaatjes van Elvis. Vlakbij de tafel stond een grote vogelkooi. Erin zat een bont gekleurde papagaai met een lange staart. Het beest hipte nerveus over zijn stok. Jailhouse rock spetterde door de kamer. 'Godverdomme, houd je kop, rotbeest,' krijste de papegaai. 'Foei, niet vloeken Lorre,' overschreeuwde oma Elvis en de papagaai. 'Stil! Ik breng je naar de poelier hoor.' Oma had Lorre geërfd van haar neef Janus. Janus was stuurman op de grote vaart geweest. Hij had kind nog kraai op de wereld, alleen een papagaai. Tientallen jaren waren ze onafscheidelijk. Zijn laatste levensjaren sleet de stuurman in een klein dijkhuisje in Pernis. Janus was rauw in de mond maar had een goed hart. Oma had moeten beloven dat ze na zijn dood Lorre in huis zou nemen. 'Pot! Pot! Pot!' riep ze als Lorre vloekte. En hij vloekte wat af. Maar Lorre vertikte het om potverdomme te roepen. Ook het dreigen met de poelier had geen enkel effect. De papagaai voelde op zijn stok aan dat oma dat nooit zou doen. 'Goed hè, Elvis?' zei Bertus tegen Mirko. 'Ja..., aber Cliff Richard liebe ich mehr.' Vol afgrijzen keek de vetkuif de jonge zeeman aan. 'Ich vind Cliff aug goet,' zei oma. Oma, die alle 150 psalmen uit haar hoofd kon opzeggen, had Cliff nog nooit horen zingen, ze kende hem alleen van de teenager- en filmsterrenfoto's uit de winkel. 'Een leuke knul,' zei ze tegen elk meisje aan wie ze een portret van de Britse zanger verkocht. 'Willen jullie priklimonade?' vroeg oma. 'Liever een jonkie,' zei Bertus. Het klonk stoer. Oma aarzelde. Er stond een fles jonge klare in de kast. Voor zaterdagavond, als haar broers langs kwamen. 'Ik ook,' viel ik Bertus bij. 'Nou vooruit dan maar. Eigenlijk zijn jullie nog te jong. Een halfje.' Oma kon geen halve glaasjes schenken. Dat zat niet in haar aard. De glazen waren bovendien aan de grote kant, eigenlijk bestemd voor zoete wijn. Oma en Letty namen een advocaatje. Het was de eerste keer dat ik jenever dronk. Voorzichtig nam ik een slok. Het spul brandde op mijn tong en in mijn keel. Het smaakte goor. De Elvisfan werd luidruchtig. Omstandig begon hij Mirko de kwaliteiten van de Pernisse meisjes te beschrijven. De jonge Joegoslaaf had zijn glas in één teug achterovergeslagen. Onbewogen luisterde hij naar Bertus. Plots legde hij een foto op de tafel. Een portret van een stralend tienermeisje. 'Mein mädchen,' zei hij trots. De vetkuif uitte bewonderende kreten. Oma glimlachte. Ze had het meisje herkend. Een Duits tienerzangeresje. Letty begon onbedaarlijk te giechelen. 'Conny Fro...,' hikte ze. Oma schudde haar hoofd en legde haar wijsvinger op haar mond. Alle aandacht was nu op Conny gericht. Snel goot ik mijn glas leeg in Lorres drinkbakje. De papegaai wist wel raad met het sterke water. Bertus zette het geluid van de platenspeler harder. Vol overgave werd Are you lonesome tonight meegezongen. Oma deinde met gesloten ogen mee op de muziek. Bij de Joegoslaaf liepen de tranen over zijn wangen. De papegaai zat roerloos op zijn stok. Ineens begon hij opnieuw hard en schel achter elkaar te roepen; 'Godverdomme, houd je kop rotbeest.' Oma dreigde met de poelier. De platenspeler stopte met een harde klik. Lorre raasde door. 'Wacht maar,' zei oma. Ze pakte een tafellaken uit het dressoir en drapeerde het over de kooi. Lorre slaakte een paar zielige kreetjes en viel toen stil. 'Gootverdome, hout joe koop rootbiest,' brouwde Mirko de papagaai na. Hij was nog niet uitgesproken of van onder het tafellaken klonk een triomfantelijk: 'Pot, pot, pot.' Met dezelfde nadruk als oma dat deed. Oma wist niet hoe gauw ze het laken weer van de kooi moest afhalen. 'Wat een intelligent beest ben je toch,' zei ze trots. 'Pot, pot, pot,' bleef Lorre geestdriftig roepen. 'Pot, pot, po... Onverhoeds duikelde hij van zijn stok. Met een bons viel hij op de bodem van de kooi. Daar bleef hij liggen. Met zijn pootjes omhoog. |
© Ees de Winter |
januari 2009 |
Niet van hier |
| "Jij komt uit het Noorden," zei een slager in Zeeland eens tegen mij. Om daar na mijn bevestiging aan toe te voegen: "Uit Groningen zeker." Mijn afkomst komt regelmatig ter sprake en als Fries hoef ik me niet te schamen. Al zien ze je vaak als een curiosum, je bent per slot van rekening een Fries, toch word je meteen gewaardeerd. Wat zijn dan onze selling points? Eén van de onbetwiste kenmerken is een rechtdoorzee-mentaliteit, die heel verfrissend kan zijn in sommige bla-bla-culturen. Soms ook niet. "Ik weet wie het zegt", verzucht wel eens een collega wanneer ik weer iets te kort door de bocht ga. We staan bekend als harde werkers en we houden ons aan afspraken. Ooit gehoord van een 'Fries kwartiertje'? Bovendien vallen we in het echt altijd mee; 'goh, jij bent helemaal niet stug', een negatief vooroordeel dat op deze manier in ons voordeel werkt. Naast al deze vermoede kwaliteiten - die we alleen maar beamen, want zonder dat we nog maar iets hebben gepresteerd heeft de niet-Fries al een hoge pet van ons op - zijn er de minder interessante eigenschappen die ons net zo ongevraagd worden toegedicht. Wanneer er schaatskampioenschappen zijn, word ik geacht met tabellen aan de buis gekluisterd te zitten. Zakt de temperatuur onder nul, dan meent men dat ik al mijn vrije tijd op het ijs doorbreng en word ik op de hoogte gehouden van de Elfstedenkansen. Als ik het koud heb, zeggen ze bestraffend: 'Jij komt toch uit Friesland'. En het spreekt voor zich dat ik kan zeilen. Ik weet trouwens ook hoe het is als er minder positief wordt gereageerd op waar je vandaan komt. Moet je in Amsterdam zeggen dat je uit Rotterdam komt. Een minzaam "Oo" is de reactie, en beleefd wordt het gesprek, dat tot dan toe geanimeerd was, afgerond. Zelf denk ik dat aan mijn tongval goed te horen is dat mijn wortels Fries zijn. Dat valt tegen. Vorige week zei een taxichauffeur in Rotterdam: "Jij bent niet van hier." Nee, antwoordde ik. "Uit Amsterdam zeker," zei hij op zelfvoldane toon. |
© Styn Haanstra |
maart 2009 |
Lente |
| Het gras is wit, de wegen zijn glad en ik blijf zo veel mogelijk binnen. Veel te koud buiten, bang om uit te glijden en een been te breken. Voor mijn gevoel is het al maanden winter. Vroeg donker, geen zin om op te staan, moe. Vaak kijk ik of ik al sprietjes zie van de eerste voorjaarsbloemen. Maar vandaag lijkt het wel of de lucht opklaart. Het vriest niet meer, de lucht voelt anders. Ik zie een sneeuwklokje. De elzen worden bruin, de wilgen krijgen een lichtgele gloed. De zon kruipt steeds meer naar het westen. Mijn hoofd wordt helderder. Lente. Eindelijk. Ik kijk naar buiten. Het hagelt. |
© Joke Tacoma |
februari 2009 |
Niet in mijn achtertuin |
| Raar om ineens bij de protesterende nette burgers te horen. Sinds kort is het lege kantoorpand hiernaast verhuurd aan dames die er een kinderdagverblijf van willen maken. Niet alleen overdag maar ook 's avonds, 's nachts en in het weekend. Plus een BSO, buitenschoolse opvang. De achtertuin waar mijn werkkamer op uitkijkt, wordt de speelplaats. Daar kunnen de kinderen rennen en gillen in groepjes die elkaar afwisselen. Niet alleen in de pauze, zoals bij een school, maar de hele dag. Ook op zaterdag. Ook op zondag. Alleen moet nog even het bestemmingsplan van dat kantoorpand veranderd worden. Vlak nadat ik op internet heb gelezen dat in Amsterdam buren van een kinderdagverblijf tot het uiterste getergd op hun balkon staan met scheepstoeters, vind ik in mijn brievenbus een brief van de gemeente over de plannen van mijn nieuwe buren. Gelukkig ben ik niet de enige die schrikt, ook de overige bewoners in de straat roeren zich. De bouwplannen liggen ter inzage bij de gemeente Rotterdam en omwonenden kunnen een 'zienswijze' indienen. De gemeente organiseert dan een hoorzitting om de zienswijzen te horen. Maar volgens hun brief zijn ze al bij voorbaat van plan om de bestemming van het pand aan te passen. Ik verheug mij niet op de geplande speelruimte naast mijn huiskamer en het peuterverblijf naast mijn slaapkamer. De hele dag rennende kleuters en huilende baby's, daar ben ik niet meer op ingesteld. Bovendien zorgt het echo-effect van ons woonblok voor een flinke versterking van alle geluiden uit de achtertuin. Buren noemen ook de verkeersoverlast van halende en brengende ouders in onze smalle straat en de afwezigheid van geluidsisolatie. De advocaat van een paar huizen verderop stelt zijn vakkennis beschikbaar en wij vergaderen in de bar van een hotel. Zo ontmoet ik buurtbewoners die ik nog nooit gezien heb, we stellen ons voor met onze naam en meteen daarachter ons huisnummer. Plotselinge solidariteit. Niemand heeft ooit last gehad van de bordelen die zich ook in de straat bevinden, maar iedereen raakt in opwinding over het kinderdagcentrum. Ik hoor mezelf zeggen: 'ik woon liever naast een bordeel dan naast een kinderdagverblijf'. En dan te bedenken dat ik een van de oprichters was van een peuterspeelzaal, toen het nog asociaal was om je kind naar zo'n instelling te sturen. 'Not in my backyard'. De klassieke uitroep van mensen die in hun buurt geen opvanghuis willen voor daklozen of drugsverslaafden. Maar mag het zoveelste kinderdagverblijf in deze wijk op een plek zonder naaste buren? |
© Els Ackerman |
26 februari 2009 |
Twee Ballina's |
| Onze buurman heeft hetzelfde loopje als Ernst Hirsch Ballin. Hij neemt flinke passen en zakt bij iedere stap licht door zijn knieën, wat een verend effect geeft. Wanneer hij langs onze hoge ligusterhaag loopt, lijkt het alsof zijn hoofd voorbij stuitert. Jarenlang woonde hij naast ons. In het begin kwamen we regelmatig bij elkaar over de vloer. De Tweede Wereldoorlog had zijn bijzondere interesse. Uren kon hij er over vertellen: het Ardennenoffensief, dat de Führer zo van kinderen en dieren hield, hoe de oorlogsbunker van Winston Churchill was ingericht... Iedere zaterdagmiddag ging hij met zijn gezin naar zijn ouders in Goes. Klokslag half drie vertrokken ze. Vijf minuten van tevoren zat hij al in de auto. Zijn vrouw en dochtertjes waren nog in huis. Meerdere malen drukte hij langdurig de claxon in om hen tot spoed te manen. In het weekend dronk hij een krat bier, dat hij vrijdagavond ging halen. Wij hoorden hem dan voorbijkomen. Door zijn Hirsch Ballinwalk rammelden de flesjes in het kratje. De lege harder dan de volle. Na verloop van tijd hoorden wij hem ook wel eens doordeweeks langskomen. Steeds vaker. Tot het dagelijkse praktijk werd. Precies om vijf uur, je kon er je horloge op gelijk zetten, klingelden de lege bierflesjes voorbij. Een kwartier later klonk het minder nerveuze gekletter van de volle pijpjes. Zijn hoofd komt nu alleen nog maar om de veertien dagen op zondagmiddag voorbij gestuiterd. Zonder geklingel en gekletter. Exact om één uur. Dan haalt hij zijn puberdochters op. Voor een paar uurtjes. De meisjes hebben bleke gezichten en spillebenen. Ze zijn altijd samen; hun moeder maakt lange dagen op haar werk en met andere kinderen zie je ze niet. Ze lopen net als hun vader, de twee Ballina's. |
© Ees de Winter |
januari 2009 |
Lekker |
| 'Echt waar, één liter ijs per persoon, elke avond.' Onder de douche bespreken twee vrouwen op leeftijd het SBS-programma De Afvallers XXL. Daarin was te zien hoe een volumineus gezin elke avond vier bakken ijs wegwerkt. De studente naast mij en ik wisselen een glimlach. Waarom zou je je druk maken over de ijsconsumptie van mensen die je niet kent? Maar de grijze dames kunnen er met hun pet niet bij. Het zwembad bij mij om de hoek is tussen de middag het terrein van bejaarden, of zoals we tegenwoordig zeggen, senioren. Als eenling vallen ze in de levendige stad niet op; hippe twintigers, drukke dertigers en moderne veertigers bepalen het stadsbeeld. Maar is de zestigplusser in de meerderheid, dan delf je als zestigminner gauw het onderspit. Je wordt gedoogd, maar de wereld is weer even van hen. En die wereld zit vol verrassingen. Een ploegje trouwe oude zwemmers vormt de harde kern. In de rij bij de kassa, onder de douche of aan de rand van het bad, ze zijn doorlopend met elkaar in gesprek. Over wie er wel is, wie er niet is en wie er ziek is. Wie er bijna altijd is, is de blinde man. Hij wordt door een medesenior begeleid naar zijn kleedhokje en daarna naar zijn vaste stek, de ballenlijn. Op de tast, langs de lijn met ballen die de ene baan van de andere scheidt, trekt de blinde man zijn baantjes. Hij wordt door het zwembadpersoneel en de andere baantjestrekkers met respect behandeld. Onduidelijk is of dat vanwege zijn handicap is, want het is een innemende man. Altijd pratend met Jan en alleman, hangend aan lijn of rand. Vandaag staat hij samen met zijn kompaan vlak voor mij in de rij bij de kassa. 'Mijn man en ik hadden de kinderen al gemaakt voor we 23 en 24 jaar oud waren,' vertelt een vrouw, steunend op haar rollator, aan het tweetal. De blinde staart in het niks omhoog, hij kijkt verrukt. 'Lekker he,' verzucht hij. De vrouw giechelt ondeugend. 'Ja. En toen we de kinderen hadden, zijn we er niet mee gestopt, hoor.' Nu lachen ze alle drie. Wanneer het stil wordt, begint de blinde man voor zich uit te zingen. Hij ziet meer dan wij. |
© Styn Haanstra |
februari 2009 |
Stoom |
| Plotseling is er een rood-wit lint gespannen naast de ingang van onze flat. Het enige dat te zien is, is een losse tegel. Na een paar dagen ligt de tegel weer vast en is het lint weg. Ik vergeet het voorval. Totdat, maanden later, er plotseling rook voor mijn raam op zeshoog verschijnt. Brand? Ik ben onmiddellijk gealarmeerd en kijk over de balkonrand wat er aan de hand is. Geen brandlucht, gelukkig, maar wel stijgen er enorme stoomwolken op uit een gat waar eens de losse tegel lag. Mannen in hesjes met alarmerende kleuren staan er om heen. Wat is er aan de hand? Zoals veel Rotterdammers hebben wij stadsverwarming. Er is iets met de warmwaterleiding. De mannen graven het gat steeds verder uit, de leidingen worden zichtbaar. Het stomen houdt op. Er wordt een hek om het gat geplaatst. We gaan met blote leidingen de nacht in. De volgende ochtend zie ik weer stoom. Nu kan ik raden wat er aan de hand is. Het gat. Tot mijn verbazing zie ik een man op een laddertje in de stoom afdalen. De werkelijkheid is altijd veel creatiever dan je kunt verzinnen. De stoom houdt op, het gat wordt gedicht, het hek verwijderd. De rust keert weer. Op de plaats van het gat liggen nu meerdere tegels los... |
© Joke Tacoma |
januari 2009 |
Punk |
| In het pre-Beatletijdperk, lang voor The Sex Pistols losbarstten, was ik al punk. En niet alleen ik, met mij honderden jongetjes in Smitshoek en ommelanden. We gingen allemaal naar dezelfde kapper: Piet van de Nadort, alias Piet de kapper. Zijn kapsalon ademde de sfeer van een saloon in een cowboyfilm. Boven een mahoniehouten commode met wit marmeren blad hing een ornamentale spiegel. Ervoor stonden twee enorme kappersstoelen. Aan de zijwand een kast met rookartikelen. Langs de achterwand een tiental cafestoelen. Piet was een forse man. Ooit was hij kapper bij de marine. Hij had geen anker op zijn arm en vloekte niet. Hij was Christelijk Gereformeerd. Dat kon je zien aan de zwarte pantalon met scherpe vouw die hij onder zijn witte kappersjas droeg. Kinderen knipte hij voor vijftig cent, wat vooral op de vrije woensdagmiddag voor een grote toeloop zorgde. De jonge klanten zaten dan op de grond. Niemand vond het erg om te wachten, want in een hoek lag een stapel Donald Ducks en Sjors en Sjimmies. Vaak liet ik mijn beurt voorbij gaan om nog even verder te lezen. Lang wachten hoefde je nooit. Piet werkte zeer efficiënt. Hij deed dat in eendrachtige samenwerking met zijn vrouw Dien, een volslanke lookalike van Olijfje, de vrouw van Popey the Sailorman. Dien knoopte een jongen in de ene stoel een schort voor, terwijl Piet er een knipte die in de andere zat. De knipbeurt zelf voltrok zich binnen vijf minuten. Met een tondeuse werd de zijkant van het hoofd opgeschoren. Bovenop werd het haar hap snap wat bijgeknipt, de pony een rafelige V, met de punt op de neus. De grote handen van Piet waren zacht en wit als watten. Hij stonk naar lotion. Uren later rook ik het op mij overgeslagen luchtje nog. Als hij klaar was kon Piet direct door met de volgende. Dien ontdeed de geknipte van zijn schort en rekende af. Ieder punkjongetje kreeg bij het weggaan een handje toffies toegestopt. Dien en Piet hadden geen kinderen. |
© Ees de Winter |
november 2008 |
Gepraat |
| 'Daar heeft mijn man gewerkt.' 'Daar heb ik ook eens boodschappen gedaan, daar hebben ze zulke lekkere vis.' 'Daar gaan ze een nieuwe flat bouwen.' De vrouw naast me wijst me met de regelmaat van de klok op een gebouw. Ze zit rechtop, met de handtas op haar schoot. We zitten in de bus en hebben een excursie door Rotterdam. Een architect van het Gilde van Rotterdam vertelt ons wat we zien. Ik vind het geweldig: het is mijn eigen stad, maar door het commentaar van de architect en omdat ik niet op het verkeer hoef te letten lijkt alles nieuw en bekijk ik mijn stad met andere ogen. Ik maak er een spelletje van om te schatten hoe oud een wijk is: jaren vijftig (kaal, sober), vooroorlogs (statige panden, buiten het centrum), recent (dat heb ik zien bouwen). De architect vertelt door de intercom het antwoord. Als ik het antwoord tenminste hoor, want de stoorzender naast me praat vaak door het commentaar heen. Mijn buurvrouw luistert niet, die heeft haar eigen beleving en vindt het kennelijk leuk om dat met mij te delen. Het valt haar niet op dat ik daar anders over denk, hoe ik ook probeer haar met milde dwang op andere gedachten te brengen. 'Ja, ja', helpt niet. 'Even stil zijn', ook niet. Zelfs handgebaren hebben op haar niet de gewenste invloed. Ik leg me bij de situatie neer en besluit me niet langer door haar gekakel af te laten leiden. Ik kijk naar buiten en volg het verhaal van de architect zo goed mogelijk. 'Daar zijn mijn kinderen op school geweest. Het was zo'n goede school.' 'Daar heb ik zelf gewerkt, toen was ik nog lerares Engels.' 'Daar hebben we gewoond, toen we net getrouwd waren.' De excursie zit er op. Ze geeft me een hand: 'Bedankt. We hebben fijn gepraat.' |
© Joke Tacoma |
december 2008 |
WC |
| Ruim tijd om over te stappen, dus even naar de wc. Die is op een station schoner dan in de trein. In Amersfoort kom ik zo voor het eerst een geautomatiseerde wc tegen. Geen juffrouw meer met een schoteltje voor de muntjes, maar een grijsmetalen gevangenisdeur achterin de stationswachtkamer. Ik zie een groen lichtje rechts van de deur en een handleiding daarboven. Een gleuf voor het muntstuk van vijftig eurocent. Heb je dat niet, dan kun je ook betalen met je mobieltje maar dan is het tien cent duurder. Je mag maximaal 15 minuten van de wc gebruikmaken, lees ik in de handleiding. Dan moet je wegwezen, want hij gaat automatisch aan de schoonmaak. Die vijftig cent heb ik gelukkig, ik mag naar binnen. De vloer is drijfnat, pas gedweild zeker. De muren, de vloer en de wc zijn van grijs metaal. Benauwend. Terwijl ik mijn koffer neerzet zie ik de bril automatisch naar beneden zakken. Op de bruine poepresten van een vorige bezoeker. Hangend boven de bril pers ik mijn plas er uit. Op de muur lees ik dat er na 12 minuten een waarschuwingssignaal komt en dat dan de deur automatisch opengaat. Mijn gevoel van benauwdheid neemt toe. Ik trek mijn kleren vliegensvlug recht, zoek tevergeefs naar een kraantje om mijn handen te wassen. Het zal er wel zijn, verborgen in de grijze metaligheid. Ik zie het niet. Ik wil weg. Weg uit deze gevangenis, deze grijze troep waar de automatische wc-reiniger kennelijk langs de poep heenveegt. Volgende keer plas ik weer gewoon in de trein. |
© Els Ackerman |
december 2008 |
Kemal |
| Afgelopen winter was ik in Turkije en overal kwam ik hem tegen, in winkels, hotels, restaurants, op straat... Hij hangt of staat er: geschilderd, getekend, gefotografeerd of gebeeldhouwd. Mustafa. Op het militair lyceum kreeg hij de bijnaam Kemal (perfectionist). Na de Eerste Wereldoorlog leidde hij succesvol het verzet tegen de geallieerde bezetters. Kemal werd de grondlegger en eerste president van de Republiek Turkije. Hij voerde een groot aantal hervormingen door, waarvan het uitgangspunt de scheiding van kerk en staat was. De Nationale Vergadering besloot in 1934 dat hun president van toen af Mustafa Kemal (betekent ook volmaakt) Atatürk (vader der Turken) zou heten. Tien november 1938 overleed hij. Meer dan zeventig jaar na zijn dood wordt de volmaakte vader van alle Turken nog steeds vereerd als een heilige. Zijn mausoleum (Anitkabir) in Ankara is een bedevaartsoord geworden. In de bioscopen in Turkije draait de film Mustafa van de documentairemaker Can Dündar. Heel Turkije is boos op de man, want voor het eerst worden de niet zo volmaakte kanten van Atatürk getoond: kettingroker, drinkebroer, rokkenjager, trouwde uit opportunisme met een vrouw uit de hogere kringen, slecht huwelijk dat uitdraaide op scheiding, bang in het donker, leed op het laatst van zijn leven aan een depressie en met zoveel woorden wordt gezegd dat hij een dictator was. In Nederland verscheen in diezelfde novembermaand het boek Juliana en Bernhard van Cees Fasseur. Ook in ons land een storm van verontwaardiging. De kritiek varieerde van: alleen Fasseur had toegang tot de koninklijke archiefstukken, gelikt opgeschreven, beschadiging van Jula en/of Benno, dat de auteur te veel de kant van Bernhard kiest, tot, wat voor nut heeft het dat we die intieme details weten. Veel Turken zien Atatürk als het cement van hun samenleving. Ze vrezen dat dat cement zal afbrokkelen als het privé-leven en de zwakheden van De Volmaakte zo geëtaleerd worden. In Nederland beseffen we al langer dat de Oranjes hun schaduwkanten hebben, maar de wederzijdse liefde zit diep en kan een stootje velen, mede ook door de plichtsbetrachting van de Oranjevorstinnen. De Turken zullen Mustafa als De Vader Aller Turken blijven zien. Misschien wel dankzij de documentaire van Dündar, want je houdt het langer uit met een mens dan met een heilige. Ook Beatrix staat bekend als perfectionist. De afwegingen om openheid van zaken te geven over de Hofmanscrisis zal ze zorgvuldig hebben gemaakt. Het moet voor haar een emotionele beslissing zijn geweest. Ik las het boek van Fasseur. Het Wilhelminapepermuntblikje met daarop een portret van Beatrix Kemal van Oranje blijft naast mijn computer staan. |
© Ees de Winter |
november 2008 |
Visser |
| Aan het eind van de pier, bij de kleine vuurtoren zitten zo'n man of zes te vissen, de vaste ploeg. Een handvol wandelaars drentelt om de vissers heen, bekijkt de vangst. Voor een warme dag is het niet druk. De zon is minder fel dan vanochtend en een briesje brengt vochtige lucht naar het land. Ver weg, boven de zee kleurt de lucht donker. Eén van de vissers, André, komt stram van zijn stoeltje. Voorzichtig tilt hij zijn leefnet tussen de basaltblokken omhoog. De platvissen spartelen zwak. 'Het is mooi geweest,' roept hij de anderen toe en knikt naar de verte, 'ik vertrouw die lucht niet.' André is een schim van de man die hij was. Vorig jaar is plotseling zijn vrouw overleden. Sinds die gebeurtenis is de zin in het leven bij hem weggeëbd. 'Het is zo stil in huis,' klaagt hij. In het dorp vinden ze hem geen man om alleen te wonen, dat gaat niet goed. Martha, de zus van Derk, één van de vissers, past wel bij hem, denken ze. Derk heeft Martha zo ver gekregen om vandaag eens langs te komen op de pier om een praatje te maken met André. Ze is bijna bij de vuurtoren als ze ziet hoe André hengel en schepnet op zijn fiets laadt. Twee zeemeeuwen strijken neer op de plek waar hij zat. Vóór hij kan opstappen vraagt een jong stel of hij een foto van ze wil nemen. Hij knikt. Het duurt even voor ze goed staan, met de vuurtoren als achtergrond. Een verkoelende wind trekt over de pier, iets verderop krijst een baby in een buggy en bij iedereen staan ineens de haren wijd uit elkaar, recht overeind. 'Nu,' roept de jongen. Hij wijst lachend naar zijn vriendin, haar lange rode haren pieken alle kanten op. André drukt af. 'Heb je jezelf gezien,' zegt het meisje, 'je lijkt op een ragebol.' Gelach alom. Niemand ontkomt eraan. 'Tot morgen,' roept André en hij stapt op zijn fiets, een rafelige rand met grijze haren als een aureool om zijn hoofd. Vanavond heeft hij verse schar op tafel. Uit de wolk boven de vuurtoren daalt statig een witte vuurbol richting pier. Net achter de vuurtoren landt de bol, zo groot als een voetbal, op het beton. Hij kaatst iets omhoog en op een hoogte van één meter zeilt hij de pier over. Uit de bol komen witte kronkelende stralen. De bolbliksem passeert André rakelings, raakt hem niet. Vlak voor de fiets knalt de bliksem uit elkaar, de klap is oorverdovend en slingert André achterover op de grond. De onbemande fiets neemt een schuiver en omgeven door knetterende blauwe vlammetjes hobbelt hij met een boog over de basaltblokken de zee in. Verdoofd probeert André op te krabbelen. Martha schiet op hem af. Ze pakt hem onder de arm en hijst hem overeind. Verbaasd kijken ze samen hoe een golf de fiets optilt. Even lijkt het rijwiel met hengel en zijtas op de pier gesmeten te worden maar op het laatste moment trekt de golf de fiets onder water. De vissers zijn inééngekrompen door de klap. Aarzelend komen ze overeind. Met een niet helemaal gelukte zwaai van zijn arm gebaart André dat hij in orde is. Licht steunend op Martha begint hij richting kust te lopen. Hij kijkt om, ongeloof in zijn ogen: mijn fiets is weg, ik ben niet dood, een vrouw houdt me vast, vanavond geen schar op tafel. |
© Dick van den Berg |
juni 2008 |
College |
| Door een nieuwe hobby zit ik na 25 jaar weer in de collegebanken. Destijds bij scheikunde, nu bij econometrie. De houten klapstoelen en de betonnen muren komen me bekend voor. Op de rugleuningen van de stoelen staan teksten, vooral namen en liefdesverklaringen. De muren zijn grijs en koud. Eerst volgde ik colleges op de VU, nu op de EUR. Beide keren in gebouwen die in de jaren zeventig zijn ontworpen. Toen was soberheid het motto. Vooral veel beton, lekker goedkoop en snel klaar. Vijfentwintig jaar geleden schreef de hoogleraar met een krijtje wiskundige afleidingen op het bord. Door het over te schrijven en tegelijkertijd mee te denken maakte ik me de stof eigen. Met een beetje geluk maakte hij een schrijffout en lukte de afleiding niet. Dan gingen we met vereende krachten zoeken waar de fout zat. Nu zie ik een powerpointpresentatie. Formules op een groot scherm, met een druk op de knop verschijnen de volgende formules. Het tempo ligt hoog. De computer begeeft het. De hoogleraar schrijft op het bord verder. Zijn zelfverzekerde houding is weg, de vaart is uit het college. Na twee minuten neemt hij een besluit: we gaan de volgende keer verder. Wij mogen eerder weg. Het gevoel van geluk daarover is nog net zo groot als destijds. In een volgend college krijgen we de gevolgen van de kredietcrisis uitgelegd. Er zijn economisch gezien twee evenwichten: de mensen laten allemaal hun geld zoveel mogelijk op de bank staan of de mensen halen allemaal hun geld van de bank. De hoogleraar vertelt dat zijn ouders hem belden om te vragen wat ze met hun geld moesten doen. Hij had geantwoord dat hij het ook niet wist. Dat is het grootste verschil met destijds. Vroeger dacht ik dat hoogleraren veel meer wisten dan ik ooit kon overzien. Nu overzie ik meer wat ze niet weten. Toen vond ik dat ik al veel wist. Nu weet ik dat ik heel weinig weet. |
© Joke Tacoma |
oktober 2008 |
Verzorgingshuis |
| 'Je weet toch wat ik wil, hè?' Ze zegt het dringend, en ik knik. Ja, ik weet wat ze wil. Ze is negentig, en met veel moeite heeft ze de beslissing genomen om naar een verzorgingshuis te gaan. 'Je weet toch wat ik wil, hè?' Ja mam, ik weet wat je wilt. Je wilt in een joods verzorgingshuis. Je groeide op in een Amsterdamse joodse arbeidersbuurt. Armoede en kippensoep, lachen en huilen, deel zijn van een grote joodse familie. Je bent de enige die is overgebleven, dankzij het huwelijk met mijn niet-joodse vader. Joods zijn is voor jou vooral de herinnering aan vroeger, een sfeer waar je thuishoorde. In het dagelijks leven is er weinig joods aan je te bekennen: geen jiddische woorden, je eet garnalen en varkensvlees. Kortom, een geassimileerde Nederlandse joodse vrouw. Toch wil je in een joods verzorgingshuis, en je zegt: 'ik wil niet naast iemand wonen die in de oorlog bij de NSB was.' Dat zal in een joods huis ook niet gauw gebeuren, denk ik. Je laat je inschrijven, en voor je gaat verhuizen ben je bijna 91. Met mijn kinderen richt ik de kamer in, precies de sfeer van je oude woning. Het gaat mis, vrijwel vanaf de eerste dag. Het joodse, de achtergrond die zo veilig leek, wordt je te veel. Het koosjere eten vind je vreselijk. Geen Kerst en Sinterklaas, maar alleen de joodse feestdagen, je vindt het bespottelijk. We proberen grapjes te maken als je klaagt over het eten dat nergens naar smaakt. 'Pas maar op mam, dat je geen antisemiet wordt'. Daar kan je nog wel een beetje om lachen, maar na een paar maanden wil je weg. Inmiddels gaat je gezondheid geestelijk en lichamelijk achteruit, je komt terecht in het joodse ziekenhuis. Ook daar reden voor woede: op sabbat gaat er een laken over de televisie aan je voeteneind. TV kijken mag niet op sabbat. Zo ontdekt mijn moeder in haar laatste levensjaar hoe Nederlands ze in die negentig jaar geworden is. En ook dat ze een algemeen tehuis had gekozen, als ze zich daarvan bewust was geweest. Na dat jaar is het afgelopen. We begraven haar gewoon op z'n Nederlands. |
© Els Ackerman |
augustus 2008 |
Charley |
| Ik heb stalbenen. Languit strek ik ze onder de grote tafel van het museumrestaurant. Buiten plenst het. De regendruppels dansen op de vijver voor de glazen pui. Midden in de waterpartij staat een meterslange kromgetrokken schroef triest te wezen. Vooral Geen Principes, heet de overzichtstentoonstelling van Charley Toorop (1891-1955) in Boijmans. Expressionistisch, maar meer nog realistisch is het werk van de dochter van schilder Jan Toorop. Mooi zijn de stillevens met de blauwe flessen, de kleurrijke Rotterdamse havengezichten en de fruitbomen. Maar het zijn vooral de portretten die intrigeren: familie, vrienden, boeren, arbeiders en zelfportretten. De ogen die doen het. Bijna altijd grote ogen. Het is of de geportretteerden naar jou kijken in plaats van jij naar hen. Ik weerstond hun intense blikken en keek terug. Het mooist vind ik de boer uit Walcheren: het zweet glimt op zijn gelaat, zijn knoestige hand ligt noodgedwongen stil. Bij de imposante kop van Charley's vader, golvend grijs haar en brede kaken, vroeg ik me af waarom juist hij met halfgesloten ogen naar beneden wegkijkt. Van de zelfportretten doen de vroegste Stalinistisch aan, de latere zijn doorleefder, met als hoogtepunt die uit 1942 met zwarte hoed en voile. Na twee uur schuifelen, stilstaan en intensief kijken liep ik naar het restaurant. De Charley Tooropogen prikten in mijn rug. In het glazen restaurant overstemt het gekletter van servies en bestek het rondgonzende gepraat. Ik sluit mijn ogen. Op mijn netvlies dansen grote ogen net zoals de regendruppels op de vijver in de museumtuin. 'U ging helemaal op in de tentoonstelling zag ik.' Een vrouw kijkt me aan. Ze heeft een pagekapsel, met een duidelijke scheiding in het midden. Veertig schat ik haar. Ze draagt een blauwe hobbezakoutfit. 'Charley zette haar kinderen en geliefden op het tweede plan, haar werk prevaleerde; ze vond dat ze anders geen grote kunstwerken kon maken. Was het dat waard?' Met grote ogen kijkt ze me vragend aan. 'Is dat wel zo?' vraag ik. 'Maakte ze zich zelf dat niet wijs of liet ze zich dat aanpraten? Misschien heeft ze hen wel meer gegeven dan de doorsnee theepotmoeder.' Haar ogen lichten op. 'Amerikanen noemden haar lady Van Gogh, om haar hoekige boeren en arbeiders.' 'Bij Van Gogh zie je murw geslagen figuren,' reageer ik, 'bij haar felle strijdbare mensen. Laten we het maar gewoon op Charley Toorop houden. Vincent en Charley zijn twee geheel eigen grootheden. Verwant in onderwerp, maar toch uniek.' De vrouw kijkt me fier aan. Dan vervaagt ze. Ik doe mijn ogen open. Vlakbij me aan tafel zit een oudere vrouw. Statig. Springerig grijs haar. Ze heeft een witte regenjas aan. Bijna hemels kijkt ze naar de wolkbreuk buiten, waar de gebogen schroef zich verschuilt achter een regengordijn. 'Het lijkt wel,' zegt ze, 'of de regendruppels tegenwoordig groter zijn dan vroeger.' |
© Ees de Winter |
oktober 2008 |
De zorg gaat commercieel |
| "Dat corporate manual hoe staat het daar nu mee?" "Hoe bedoel je?" "Nou, de directie heeft het volgens mij al weken over niks anders." "Maar Henk, je snapt er niets van!" "Hoezo?" "Wat ik je nu ga vertellen is strictly off the record, dus mondje dicht. Luister. Het komende jaar nemen we het Bethesda en Sofia-Noord over. Had je niet gedacht, hè. De volgende stap is dat we ons eigen vastgoed gaan exploiteren. En elke afdeling wordt een business-unit met eigen profit-and-loss verantwoordelijkheid." "Wat vertel je me nou? Alweer reorganiseren?" "Oh Henk! Het is meer dan dat, veel meer. Jij werkt straks in een healing environment waarin alles draait om customer intimacy. Onze toekomstige klanten, de hot prospects, moeten een herkenbare emotie ervaren bij onze beleveniszorg." "Onze hot wat?" "Onze klanten. We moeten wel winst maken. Als wij een return on investment hebben van meer dan zes procent, dan krijgen de medewerkers dat als extra employee benefit uitgekeerd. Moet je wel je targets voor operational excellence gehaald hebben. En de raad van bestuur, ik bedoel de board, heeft een nog mooiere regeling vanwege hun eindverantwoordelijkheid. En waarschijnlijk gaan we naar de beurs." "Lieve help, blijven we wel een ziekenhuis? Ik bedoel, onze artsen, leren die nog hoe ze moeten opereren?" "Je denkt te veel vanuit je vak, Henk. Alles draait nu om zorginnovatie." "Ik weet het niet Jan Willem. Kan die hele toestand niet worden teruggedraaid, dat we simpelweg het Onze Lieve Vrouwe Ziekenhuis blijven? En dan noemen we dat corporate manual gewoon handboek soldaat. "Maar Henk toch! Je bent compleet out of touch with reality. Nee jongen, it's too late to stop now." "Oh, eh, nou ja, toch bedankt voor de informatie Jan Willem." "You 're welcome Hank." |
© Dick van den Berg |
oktober 2008 |
Pluisje |
| Ik buk me om een pluisje van de vloerbedekking te pakken. Terwijl ik met mijn hoofd naar beneden sta realiseer ik me dat mijn moeder dat ook altijd doet. Wat vreselijk, ik wil helemaal niet op haar lijken. Als ik bij mijn moeder ben en haar pluisjes van de grond zie rapen denk ik altijd: 'Dat kan handiger met de stofzuiger'. Maar ook dat het goed voor haar is om in beweging te blijven. Het is trouwens een mooie indicator om te zien hoe het met haar rug is. Ze krimpt, en dat doet zeer. Als ze klaagt over haar zere rug dweil ik de keukenvloer. Maar als ze daarna soepel een stofje van de grond pakt, betwijfel ik of die rug wel zo zeer doet. Waarom pluk ik dat pluisje van de vloer? Ik heb gisteren gestofzuigd en nu ligt er al weer wat. Dat stoort. De kamer moet schoon zijn, want morgen komt er bezoek. En ik heb geen zin om alweer de stofzuiger te pakken. Het is makkelijker om even te bukken. Misschien is dat bij mijn moeder ook wel zo. Stofzuigen is veel meer werk dan bukken. Zeker met een inzakkende rug. Mijn rug zakt nog niet in. Ik wil alleen maar dat mijn kamer schoon en netjes is als er bezoek komt. Verder zal het me een zorg zijn. Dat betekent dus stofzuigen voordat er iemand komt. En daarna kleine oneffenheden van de vloer pakken. Zo gaat dat. Oud worden. Op mijn moeder lijken. Onontkoombaar. |
© Joke Tacoma |
oktober 2008 |
De ergste zinnen |
| 'We moeten even praten'. Dit simpele zinnetje staat nummer één in de toptien van zinnetjes die bij veel mensen onrust of angst oproepen. Op nummer twee staat: 'De baas wil je nú spreken'. Op nummer zeven: 'Ik moet je iets vertellen.' De rest laat ik maar weg. We kennen ze allemaal. Van die zinnetjes waarbij je meteen denkt dat je iets verschrikkelijks gedaan hebt, of juist iets heel belangrijks hebt vergeten. Hoe zacht of vriendelijk de ander die woorden ook uitspreekt, in gedachten komen de rampen meteen op je af. Angst en onrust, het zweet breekt je uit. Precies om die reden heeft een Britse fabrikant van deodorant een onderzoek laten doen waar deze toptien uit naar voren kwam. Ik zie de advertenties en de tv-reclames al voor me. De onzekere medewerker wordt met zo'n zinnetje naar het kantoor van zijn baas geloodst. Hij voelt de transpiratievlekken in zijn oksels ontstaan, nog voor hij de kamer bereikt. Denk ook eens aan de vrouw die na het eten even rustig met haar man napraat over de dag, nu de kinderen in bed liggen. En dan zegt hij: 'Ik moet je iets vertellen'. Vlekken in haar gezicht, het zweet breekt haar uit. Voor de ramp losbarst komt dan de poeslieve en doodkalme stem van de reclamemeneer of mevrouw. 'Had je nu maar XXX gebruikt, dan kon je rustig dit gesprek tegemoetzien zonder die akelige transpiratiegeur in je bloes.' De volgende scene toont een stralende echtgenote, die vrolijk zegt: 'Vertel maar, schat'. Of de medewerker komt bij zijn baas binnen met de woorden 'wat goed dat je even tijd voor mij vrijmaakt'. God hoort ze brommen, maar dat zit van binnen. Met die ideale deodorant merkt niemand er iets van. |
© Els Ackerman |
Ontslapen |
| Midden in de nacht maakt mijn vrouw me wakker. 'Floortje is dood,' snikt ze. 'Ik heb geroepen en aan haar gesjord. Ze reageert niet.' Roerloos ligt ze op de overloop. Op onze knieën gaan we bij haar zitten. Haar ogen staan troebel en ze ademt niet. Geëmotioneerd strelen we het nog niet helemaal koude lijf van Floortje. Plotseling begint ze te kwispelstaarten en draait zich op haar rug. Springlevend, mét haar poten in de lucht kijkt ze ons hoopvol aan. De vermeende ontslapene wil over haar buik gewreven worden. Het ultieme hondengenot. |
© Ees de Winter |
september 2008 |
Gergiev |
| In september 2002 ging een handjevol luisteraars totaal verloren in de Grote Zaal van de Doelen. De leegste Grote Zaal die ik ooit zag. Ik schaamde me voor mijn stad. Het was de eerste masterclass 'directie' die Gergiev in Rotterdam gaf. Sindsdien voel ik mij een leerling van hem. De drie jonge dirigenten die optraden gingen er vol in, niet gehinderd door het vooruitzicht fijntjes gefileerd te worden of om publiekelijk de kluts kwijt te raken. De meer dan honderd mannen en vrouwen van The Rotterdam Young Philharmonic en het Toonkunst Koor waren onvermoeibaar. Ze bleven scherp, zelfs na talloze herhalingen. En Gergiev? Hij stelde vragen. Aan de violiste op de laatste rij van het orkest, uiterst links van de dirigent vroeg hij of de dirigent haar had aangekeken tijdens de uitvoering. Zij schudde het hoofd. En of ze dat wel zou willen? Ze knikte. Gegrinnik alom. Bij een ander zei hij: 'Zullen we eens kijken wat er gebeurt als je niet voortdurend de maat slaat?' (Het orkest speelde perfect verder) 'They know what to do. What are you going to do with all the space you get?' Uiteindelijk wist hij elke leerling te raken in zijn blinde vlek, net één niveau dieper dan ik verwachtte. Zo nu en dan had hij een wijs woord: 'De makkelijkste concerten zijn het gevaarlijkst'. En het allermooiste: zelfs ík kon horen dat het na zijn aanwijzingen een stuk beter klonk. Kijk naar de film die Sonia Herman Dolz maakte van deze masterclass: 'De meester en zijn leerling', verplichte kost voor iedereen die les geeft. Toch heeft Gergiev nog een ander specialisme. Hij heeft het staan tot kunst verheven. Minutenlang stond hij schuin achter zijn leerlingen, hand aan de kin, peinzend of hij zou onderbreken, kaarsrecht, af en toe een been verplaatsend, soms ingehouden meedirigerend, dan weer vooroverleunend om ogen en gezichtsuitdrukking van de dirigent te kunnen zien, soms op de achterste rij van het orkest het geheel observerend. De enkele keer dat hij iets voordeed: breed staand, met ogen zo groot dat je in het oogwit kon zwemmen en met meer expressie en elastiek in zijn lijf dan zijn leerlingen samen lieten zien. Vijf jaar later, tijdens het Gergiev-festival 2007 zaten er bij zijn masterclass zeshonderd mensen in de zaal. Dat optreden was trouwens minder glanzend dan de eerste keer. Hij was moe. Gergiev is druk, te druk. Hij treedt overal op, schijnt in het vliegtuig te wonen. Blijkbaar kan hij niet anders. Een kaars die aan twee kanten tegelijk brandt... Als ik hem bezig zie ben ik verbaasd dat hij er weer vermoeider uitziet dan de vorige keer. Wat ik hoor lijkt direct uit de muzikale hemel te komen. |
© Dick van den Berg |
september 2008 |
Nachtmerries |
| Een jonge blonde vrouw zit in een donkere kamer. Ze kijkt angstig naar de deur die langzaam uit zichzelf open gaat. Erachter verschijnt een onheilspellend rond licht dat steeds dichterbij komt. De vrouw bedekt haar gezicht met haar handen en begint hysterisch te schreeuwen. Toen ik een jaar of vijf was zag ik deze griezelige scène op onze zwart-wit televisie. Mijn ouders waren 's avonds laat tapijt aan het leggen en daarom was ik nog wakker. En die vervloekte deur bleef maar vanzelf open gaan! Jarenlang heb ik er nachtmerries van gehad. Als volwassene heb ik inmiddels veel engere vertoningen gezien, maar toch denk ik er af ten toe nog aan. Laatst wou ik opeens, zonder duidelijke reden, weten welke film het was. Ik zocht uren vergeefs op Internet. Dan maar een vraag sturen naar de NRC Filmvragen rubriek. Men vond het 'een tamelijk generieke beschrijving (een cowboy rijdt naar de horizon, waarachter de zon net ondergaat; een oplichtersbende wordt zelf het slachtoffer van een ingenieuze afpersing) van een film over een huis waar het spookt.' De film House on Haunted Hill van regisseur William Castle maakte een grote kans de gezochte film te zijn. Een lezer suggereerde dat het een scène uit een tv-serie was geweest; zoals 'Ivanhoe', 'Batman' of 'Alfred Hitchcock presents'. Naar aanleiding hiervan zoek ik verder. House on Haunted Hill blijkt het niet te zijn. En in de beschrijvingen van de tv-series vind ik niets dat er op lijkt. Ik zal waarschijnlijk nooit weten welke film de nachtrust in mijn kinderjaren heeft verstoord. Jammer, maar ditmaal zal ik hiervan niet wakker liggen. |
© Adrie Kuil |
september 2008 |
Boeken |
| Het tomadorekje met boeken hangt naast mijn bed. Ik ben vijftien en trots op dit rijtje zelfgekochte boeken. Meestal ga ik naar de bibliotheek, maar soms koop ik een pocket van mijn zakgeld. Op de laboratoriumschool moeten we dikke boeken aanschaffen. In de kast die mijn vader heeft gemaakt, staan ze netjes naast elkaar. Pronkstuk is het Handbook of Chemistry and Physics dat zo'n tien centimeter breed is. Als ik ga werken, zeg ik het lidmaatschap van de bibliotheek op en koop de boeken die ik wil lezen. Handig, dan kun je er wat langer over doen. En het staat leuk: veel boeken in de kamer. Soms lijkt het wel of ik boeken koop om ze tentoon te stellen. In de boekenkast staan bijna net zoveel boeken die ik wel als boeken die ik niet heb gelezen. Toch is dat nooit de bedoeling wanneer ik een boek koop. Dan word ik blij, omdat ik straks dat boek ga lezen. Maar voordat het boek uit is, heb ik alweer een volgende gekocht. Tijdens verhuizingen merk ik hoeveel boeken ik heb: steeds meer dozen, steeds meer boekenkasten. Waarom eigenlijk? Ik besluit mijn voorraad te saneren: geef ze weg aan vrienden (wat nog niet meevalt: 'Nee, ik heb zelf ook te veel boeken.') en verkoop ze, samen met de helft van de boekenkasten, aan een opkoper. De kamer wordt een stuk lichter. Dat wil ik zo houden, dus word ik weer lid van de bibliotheek en moet ik het doen met de boekenkasten die ik heb. Als een nieuw boek in de kast moet, gaat er een ander boek uit. Vakliteratuur mag ik wel kopen, die wil ik op ieder moment kunnen raadplegen. Maar het werkt niet: voor mijn boekenkast verschijnen steeds meer stapels op de grond en hoe kritisch ik ook kijk naar de boeken in de kast, ik wil ze houden. Vreemd, want ik weet zeker dat ik de helft van die boeken nooit meer in zal kijken. Ze hebben emotionele waarde. Ik ga weer een boekenkast kopen. |
© Joke Tacoma |
juli 2008 |
De adem der natuur |
| In de Kunsthal heb ik een déjà vu. "Zomer", heet het schilderij waar ik voor sta, een lage dijk, daarop hoge populieren en een groepje koeien bij een hek. Het uitzicht van het huis waar ik als kind woonde. Eind jaren vijftig. Met mijn ouders wandel ik op De Pendrechtse Ka, een brede sloot scheidt de grasdijk van de tuinderij van mijn vader. We lopen langs een tiental grazende koeien. Een grote zwartbonte koe komt naar me toe. Lodderig kijkt ze mij aan. Haar kolossale kop zweeft boven mijn hoofd. Ik word bang en zet het op een lopen. De koe rent achter me aan, de andere koebeesten ook. Zo'n honderd meter is het naar de plank over de sloot. De koeien snuiven. Ik voel hun adem in mijn nek. Ik zweef over de plank. Trillend op mijn benen sta ik tussen de bloemkolen. Aan de overkant staren de koeien me sullig aan. Ik hoor mijn vader hard lachen. Voorjaar 2007. Ik ben op een expositie waar werk van landschapschilder Willem Roelofs (1822-1897) wordt getoond. De titel van de tentoonstelling is De Adem Der Natuur. Het Hollandse polderlandschap in de negentiende eeuw. Koeien. Vaarten en plassen. Weiland. Molens. Bomen. Geboeid bekijk ik de meer dan honderd werken. Geen detail ontgaat me. Een wuivende rietpluim. Opvliegende eenden. Een zwaaiende koeienstaart. Roelofs maakte olieverfschetsen in de vrije natuur, die hij later in zijn atelier uitwerkte. Hij was een realist; zijn schilderijen zijn geen gedramatiseerde landschappen, maar impressies van wat hij in de natuur zag. Hij speelde meesterlijk met de lichtval. "De regenboog" is daar een prachtig voorbeeld van: de zon schijnt tegen een donkere buienlucht, in het zwart een regenboog. Er hangen drie versies van op de tentoonstelling, een olieverfschets, een schilderij en een aquarel. 'Indrukwekkend,' zegt een man die naast me is komen staan. Hij wrijft door zijn warrige haardos. 'Het is de reis van Groningen naar Rotterdam meer dan waard.' De man neigt naar de regenboogaquarel. 'Indrukwekkend,' mompelt hij nog een keer. Ik knik en ga naar het volgende schilderij. Drie keer doe ik de ronde. Vergeet alles om me heen. De olieverfschetsen zijn me lief om hun weinig gedetailleerde, impressionistische stijl. Ik overweeg een rivierenlandschap met molen onder mijn jas de Kunsthal uit te smokkelen. Het allermooist vind ik een groot doek van een groepje koeien dat door een plas waadt. Achter de runderen zover het oog reikt weilanden en bosschages. Er hangt een blauw waas over het landschap. Voor ik naar huis ga, zit ik nog even op een bank die een paar meter van dat schilderij afstaat. Gefascineerd kijk ik naar het tafereel. De schilderijen van Roelofs zuigen je op. Je staat ervoor, maar het voelt of je erin bent. 'Wilt u alstublieft op mijn kleren letten?' Naast me staat de Groninger. Spiernaakt. Zijn witter dan witte lijf is onregelmatig bedekt met haar zo zwart als Oost-Indische inkt. 'Ik ga baden in de plas.' Hij legt een bundeltje kleren naast me op de bank. De koe boven de handtekening van Roelofs kijkt ons dom aan. Het water in de plas schittert. Ik hoor mijn vader schaterlachen. 'Zou je dat nu wel doen?' vraag ik. 'Het water is nog bitter koud in april.' |
© Ees de Winter |
mei 2007 |
Mozzarella |
| De jongen in de coupé veert met een verrast "Buona sera" overeind als ik de deur open schuif. Zo te zien is hij blij dat er mensen bij komen. De bolle vuilniszak naast hem op de bank trekt hij voorzichtig naar zich toe om plaats te maken. Uit het bagagerek boven hem puilt een rode rugzak die op een Antarctica-expeditie niet zou misstaan. Wij hebben met zijn zevenen gewandeld in de Monte Sibillini en zijn op de terugweg. Vier van ons zitten in de coupé hiernaast, en drie delen deze coupé met de jonge Italiaan. Een zak drop gaat rond terwijl de trein het station van Rome verlaat. De jongen, een jaar of twintig, strijkt een paar keer door zijn zwarte krullen, schraapt zijn keel en begint te vertellen. Half in het Italiaans, half in het Engels. Hij heet Andrea, komt uit Napels en is op weg naar München. Daar woont zijn vriendin. Hij heeft haar ontmoet in Napels toen ze een internetcafé zocht. Hij had haar niet de weg gewezen maar haar er naar toe gebracht. Hij lacht. Twee maanden later zat hij in München. Nu gaat hij er weer drie maanden heen. 'Dat gaat snel,' zeg ik, 'en hoe bevalt het?' Duitsland viel hem niet mee. 'Pero l'amore: fantastico.' Onderling spreken ze de taal der liefde, met veel gebaren, legt hij uit. Met zijn allen drinken we wijn, klinken op de liefde en vertellen verhalen. Om een uur of elf klappen we de slaapbanken uit om ons een nacht door de Alpen te laten schommelen. De vuilniszak die opvallend soepel mee wiebelt met het schudden van de trein gaat voorzichtig in het bagagerek. De volgende ochtend legt de zon een gele gloed over de Duitse heuvels. 'Permesso demandare?' probeer ik in het Italiaans en wijs op de vuilniszak. 'Ah,' legt Andrea uit, 'molti sacci.' In de ene zak zit een andere zak en daarin nog een zak en dan weer een zak, en daarin zeven kilo mozzarella. 'Di bufala?' informeer ik ad rem. Mozzarella van buffelmelk is beter dan die van koeienmelk. 'Si, si, evidente'. Het klinkt alsof hij het een behoorlijk domme vraag vindt. 'Maar waarom neem je die mee,' vraag ik, 'en zoveel?' Hij kan niet zonder, heeft het nodig om te overleven. En deze mozzarella is de allerbeste die je kan krijgen. 'En koop je dat zo in de winkel?' Nee nee, zijn moeder had het speciaal voor hem geregeld. We knikken. Zwijgend glijden we precies op tijd het station van München binnen. In de schaduw van de overkapping is de wereld koud. Uit Andrea komt een diepe zucht. We nemen afscheid en gebukt onder zijn rugzak sjouwt hij het eindeloze perron op. De vuilniszak klemt hij tegen zijn buik. Mozzarella di mamma. |
© Dick van den Berg |
mei 2008 |
New York |
| Ik ben gek op New York. Als ik begin januari besluit er dit jaar weer naar toe te gaan, kijk ik eerst naar de programmering van de Metropolitan Opera en Carnegie Hall. In de Metropolitan wordt La Traviata opgevoerd, maar die heb ik net in Nederland gezien. In Carnegie Hall komt Ton Koopman. Die zie ik ieder jaar wel een keer, hetzij in De Doelen, hetzij in het Concertgebouw. Voor de muziek maakt het dus niet uit wanneer ik ga. Mijn agenda laat zien dat er eind april met enige moeite twee weken vrij zijn. Dan is dat het criterium. Eenmaal in New York bezoek ik zoveel mogelijk musea: Museum of Modern Art, Metropolitan, Frick Collection. In het begin geniet ik van alle mooie kunst, maar na een week wordt het vervreemdend. Vrijwel alles wat in die musea hangt is Europese kunst. Nog geen tien procent is Amerikaans. Dwalend door het Metropolitan Museum vraag ik me af: wat doe ik hier? Europese kunst bekijken? Dan kan ik beter naar Europa gaan. Van vermoeidheid heb ik geen oog meer voor de schoonheid van de Griekse en Romeinse kunst. Normaal kan ik uren doorbrengen in het Allard Pierson museum of het Rijksmuseum van Oudheden. Ik denk nog net niet: dat zie ik in Nederland wel weer. Het enige dat ik denk is: ik heb dorst. Uit veiligheidsoverwegingen moest ik mijn flesje water inleveren. Gek is dat: ik ga naar New York omdat ik dat zo'n fijne stad vind en één van de fijnste dingen is dat er zoveel musea zijn met prachtige collecties. Maar alles wat ik zie of hoor is Europees: de schilderijen, de beeldhouwkunst, maar ook de opera in de Met met La fille du régiment van Donnizetti en de New York Philharmonic met Beethoven. De volgende dag weet ik het weer. Het is de bruisende stad, waar de stoom letterlijk uit de straten komt. De cherry blossoms in de Botanical Gardens. Ze staan volop in bloei. Als er een zuchtje wind komt, sta ik in een welriekende regen van zachte roze blaadjes. Mijn vermoeidheid verdwijnt. Ik geniet van het uitzicht vanaf het Empire State Building, ga met de pont naar Staten Island, kijk hoever ze zijn met het World Trade Center. De eerste keer dat ik in New York was, stond ik er op, de tweede keer was het net een maand daarvoor ingestort en nu zie ik het indrukwekkende memorial, waar de dozen tissues goede diensten bewijzen. Het gevoel van klein te zijn tussen de wolkenkrabbers. Het gevoel van groot te zijn, omdat ik in een wereldstad ben. Gillende sirenes, de laatste mode, boeken kopen, bottomless koffie drinken, het kan niet op. Nu ben ik weer terug. Ik denk aan de Amerikanen, aan hun cultuur zoals je die in Manhattan ervaart. Europees? Welnee, hooguit in musea. |
© Joke Tacoma |
juni 2008 |
Marathon interview |
| De stem klinkt droevig en bekakt. Een mevrouw. Ik luister niet echt, ben met andere dingen bezig. Het is vrijdagochtend in de zomer, de tijd van het VPRO marathoninterview op radio 1. Drie uur lang intensieve gesprekken tussen een 'bekende Nederlander' en een radiojournalist. Ik zet de woorden 'bekende Nederlander' tussen aanhalingstekens, want het gaat niet om de BN-ers die alleen bekend zijn van radio en tv of die hun beroep maken van het bekend zijn. Dit zijn echte mensen, vaak jarenlang bezig als kinderrechter, schrijver, politicus of beeldend kunstenaar. De gesprekken zijn meestal zo interessant dat ik op die vrijdagochtenden ander werk laat liggen om te kunnen luisteren. De geïnterviewden hebben een verhaal, de interviewer stelt goede vragen; samen hebben ze de tijd om het gesprek uit te diepen. Vanochtend merk ik dat de mevrouwenstem mij afleidt van de inhoud. De manier waarop ze spreekt roept irritatie bij me op. Haar geluid heeft iets zeurderigs, ze klinkt verongelijkt en bekakt tegelijk. Ik kan er niet doorheen luisteren. Ik houd van markante stemmen, die een beeld oproepen van de eigenaar van die stem. Ook van aarzelende stemmen, die soms zacht en verlegen zijn. Of stemmen met een giechel, stemmen die pret hebben en dat niet kunnen verbergen. Natuurlijk is het niet alleen de stem. Ook de manier van praten, timbre, het accent. Sommige mannen hebben een prachtige donkerbruine stem, sexy, spannend. De eigenaar van die stem is misschien een magere kale man met een brilletje, maar zijn geluid roept heel andere beelden op. Jonge stemmen praten poldernederlands, met lelijke a's en o's die bijna als 'au' worden uitgesproken. Oude opnamen van een nieuwslezer klinken nu ouderwets, met al die keurig uitgesproken ennetjes. De mevrouw op de radio praat voort. Ik kan er niet naar luisteren zonder dat me een gevoel van verveling bekruipt. De redactie van het marathoninterview heeft ongetwijfeld criteria waar de geïnterviewde aan moet voldoen. Zoals hoge eisen aan inhoud, oorspronkelijkheid en bereidheid tot zelfreflectie. Daar wil ik graag een criterium aan toevoegen: een interessante en prettige stem. |
© Els Ackerman |
augustus 2008 |

Camoufleren |
| Mijn vrouw struint langs de kledingrekken. Ik wacht in een fauteuil bij de pashokjes. De verkoopster in de modezaak is een lookalike van Dusty Springfield: lang en het hoogblonde haar in een suikerspincoupe. Ze heeft een brede riem met een megagesp om. Gelaten staat ze bij een dame die zichzelf langdurig van alle kanten in de spiegel bekijkt. 'Mijn buik komt er zo in uit,' zucht de vrouw. Dusty glimlacht en schuift de riem omhoog. Haar roze truitje bolt op als ze tegen de zijkanten van haar buik drukt. 'Ik camoufleer dat met een grote gesp,' zegt ze. Ik schiet in de lach. Hooghartig en zwoel tegelijk kijkt the white lady of soul me aan. 'Jij hebt anders ook wel wat te camoufleren,' zingt ze. |
© Ees de Winter |
juni 2008 |
Wachten |
| Maandagochtend kwart over negen. In het lege centrum van Rotterdam slenter ik bovenlangs de Koopgoot en kijk neer op de bomen die niet willen groeien. In de schaduw van de hoge kantoorgebouwen is het nog koel op deze augustusdag. Met tussenpozen van anderhalf uur meten ze mijn oogdruk. De oogarts wil weten of er pieken in zitten gedurende de dag. De eerste meting is net achter de rug. Ik zie nog wat wazig door de oogdruppels. Het wachten is op de volgende meting, over ruim een uur. De winkels gaan om elf uur open, de terrassen zijn gesloten, dat valt tegen. Van mijn boodschappenlijst voor vandaag komt weinig terecht op deze manier. Een verlate secretaresse haast zich haar kantoor in. Zonder mensen zie je pas hoe goor de stad is. Smoezelige tegels, vlekkerige gevels. Een enorme zeemeeuw strijkt neer tussen het plastic zwerfvuil. Kauwgom en duivenpoep waar je ook kijkt. Dwars op de trottoirs hebben kleine vrachtauto's de stad bezet. Er omheen stratenmakers, glazenwassers en mannen met steekwagens vol kartonnen dozen. Ik hoor er niet bij. Langzaam komt het nuttigheidsdenken in mijn brein tot stilstand. Vlak voor mij rijdt een busje met Belgisch nummerbord de stoep op. Twee mannen stappen uit. De één strooit voer achter de bus. Binnen een halve minuut zit het vol duiven. Uit een paar kokers die voor zijn buik gebonden zijn, schiet de andere man een net over de vogels. Als een doorzichtige parachute daalt het zacht neer over de opfladderende duiven. De deuren van een nabij geparkeerd busje gaan open en drie mannen plukken razendsnel de duiven onder het net vandaan en stoppen ze in kratten. Voor ik besef wat er gebeurt zijn ze weg. Wat een vakwerk, is het enige wat ik kan denken. Het eerste terras gaat open. Boven een cappuccino komen de vragen: kan dit zo maar, is dit gemeentelijk beleid? Aan de andere kant, het ruimt razendsnel op. Heb ik het wel goed gezien? Ik knipper heftig met mijn ogen. Ineens heb ik meer focus. Bij mijn tweede koffie neem ik tot mijn verbazing moeiteloos een besluit over iets wat me allang dwars zit: mijn huidige baan, ik stop ermee. Dat stijgt ver uit boven mijn boodschappenlijst voor vandaag! Je gaat schoon schip maken, beslis ik. In de eerste zonnestralen die het terras bestrijken zak ik onderuit en wacht tot het tijd is. Die duivenvangers heb ik nooit meer gezien. |
© Dick van den Berg |
augustus 2003 |
De mast |
| Onaangekondigd werd hij in juli 2006 pal voor onze woning in Rotterdam-Noord neergezet. Een vijftig meter hoge antennemast. Met van die onzichtbare straling waarvan je misschien een dodelijke ziekte krijgt. Volgens het huis-aan-huisblad was het een tijdelijke C2000 installatie van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Hij zou er één jaar staan. En een bouwvergunning was niet nodig. Want zo werkt de Nederlandse rechtsstaat: niemand wil een zo'n sterke stralingsbron vlak bij zijn huis, dus ontnemen ze iedereen het recht om ertegen te procederen. Na meer dan een jaar staat de antenne er nog. Ik neem contact op met de C2000 afdeling en men verzekert mij dat hij binnen een half jaar weg is. Uiteraard kijk ik na zes maanden nog steeds tegen die %$#&* paal aan. Weer contact opgenomen. Een weghaaldatum geeft men nu niet meer. Waarom zouden die C2000 medewerkers ook haast maken? De omwonenden kunnen niets tegen de ongewenste situatie doen. En bij de overheid wordt niemand op resultaat afgerekend, want het rijk heeft geen concurrentie en kan niet failliet gaan. Die mast zal er dus nog wel een tijdje staan. Inwoners tegen hun wil voortdurend van dichtbij bestralen, ze de mogelijkheid van verweer hiertegen ontnemen en gewekte verwachtingen niet inlossen. Hoe zou het toch komen dat de overheid steeds meer burgers tegen zich in het harnas jaagt? |
© Adrie Kuil |
juli 2008 |
Blauw |
| Het water in de singel voor mijn huis is blauw. Middellandsezeekleur. De bomen aan de overkant zijn donker blauwgroen. Het gras is viesgroen. Als de zon schijnt oogt het blauw nog wel vrolijk. Maar ik begrijp ineens dat de Amerikanen van iemand met een depressie of een rothumeur zeggen: hij is in een blue mood. Zonder zon springt de depressie bijna op je nek. 'Ik word hier helemaal gek van', zegt mijn buurvrouw. Ze is het grootste deel van het jaar in het buitenland, maar nu loopt ze somber en chagrijnig door de hal beneden om de post op te halen. Onze flat staat in de steigers. Zonder waarschuwing van de huisbaas staan de steigerbouwers op de stoep, en in een dag zijn we van buitenaf onzichtbaar geworden. Steigers van onder tot boven, behangen met donkerblauwe plastic lappen. Je kunt er doorheen kijken, maar de wereld is blauw geworden. In de bibliotheek lucht ik mijn hart tegen een vrouw die kuchend achter de balie zit. 'Betonstof', zegt ze. 'Acht maanden zijn ze bezig geweest, en het zit nog in mijn longen.' 'Bij mijn huis gaan ze ook iets doen, geen idee wat, maar die steigers blijven twee maanden staan. Volgens de tamtam tenminste.' 'Dat zeiden ze bij ons ook, en het werden er acht.' 'Ook met dat blauw?', vraag ik. Haar antwoord is bevestigend. In de tram valt me op hoeveel gebouwen in de stad in de steigers staan. Meestal blauw. Grijs ook. Maar op de Kruiskade zitten ze achter het paars. Het kan dus nog erger. |
© Els Ackerman |
juni 2008 |
Ira |
| Eens in de zoveel jaren kom je iemand tegen die je ziel aanraakt, waarmee je een niet of nog niet te benoemen verbondenheid voelt. Voor mij was de schrijfster Ira Bart een van die mensen. Groot waren haar donkere ogen. Aangezet met oogpotlood keken ze bijna schuw het lokaal in. Drie witte muren en een wand van glas. Pal voor de ramen een meters hoge coniferenhaag. In een hoek wat opgestapelde stoelen en een muzieklessenaar. Aan vier tegen elkaar geschoven tafels zaten we, de schrijversklas. Helwit tl-licht scheen op ons. Ik zat recht tegenover Ira, onze docent. Met zachte stem wijdde ze ons in, in een wereld die schrijven heet. Plot, dialogen, perspectief... Kritiek op je werk en hoe daar mee om te gaan was het onderwerp op de eerste avond. Ze behandelde het uitvoerig. Voor Ira was schrijven een gevoel omzetten in woorden. Niet zomaar een rijtje woorden, maar zinnen die iets in een mens te weeg brengen. Die voelbaar zijn. Als je zo schrijft ben je kwetsbaar. Tien keer tweeëneenhalf uur zag ik haar. Altijd in die hol klinkende ruimte. Altijd samen met de andere cursisten. Wat ineengedoken zat ze aan het hoofd van de tafel. Haar lange zwarte haar hing sluik langs haar hoofd, alsof het geteisterd was door een plensbui. Ze droeg zwarte kleren. Tussen haar borsten hing een zilveren amulet met kleurige stenen. Ira was haar pseudoniem, een anagram van Ria. Wist ze dat ira het Latijnse woord voor woede is? Ze gaf ons schrijfopdrachten. Als we die bespraken veerde ze op. Op het puntje van haar stoel luisterde ze als wij onze verhalen voorlazen. Gevat gaf ze commentaar. Vroeg door over de drijfveren van de schrijver. Gaf tips hoe het beter kon. Haar amandelvormige ogen glinsterden dan. Hap snap vertelde ze over zichzelf. Haar eigen schrijfervaringen. Maar ook over het dorp waar ze geboren was, het brede water daar vlakbij, de polders rondom, de grote stad waar ze ging wonen, dat ze haar baan als onderwijzeres had opgezegd om te kunnen schrijven. Bijna verlegen toonde ze ons haar boeken. Haar verhalen die ze me liet lezen, waren wondermooi proza. Vaak ging het over mensen wier ruimte begrensd was en die daar uit wilden breken. Mijn verhalen, ook die van de anderen, groeiden in de loop van de cursus. Ik zoog haar woorden in me op. We lachten veel. Ira keek ons dan verwonderd aan. Ze glimlachte slechts. Alleen de laatste keer lachte ze voluit mee. 'Volgens mijn dochter heb ik nooit de slappe lach,' zei ze toen we uitgelachen waren. 'Maar nu toch wel?' Een lichte verwarring maakte zich van haar meester. Voor me uit liep ze naar de parkeerplaats. Ik versnelde om haar in te halen. Toen ik haar op tien meter was genaderd, was het of een onzichtbare hand tegen mijn borst drukte. Ik vertraagde mijn gang. Het laatste wat ik ooit van haar zag, was haar witte gezicht achter het droog geveegde rondje in een beslagen autoruit. De prille zon dartelde over het water, de vogels kwetterden, de aarde trok een nieuw bont kleed aan, toen Ira er voor koos de grens van het hier naar het hiernamaals over te steken. Machteloze woede voel ik, als deze beelden door mijn hoofd gaan. Nog steeds. |
© Ees de Winter |
december 2003 en juni 2008 |
Bush en Balkenende |
| George Bush. Ik zal hem nog missen. Die verbaasde blik op elke persconferentie. Ben ik hier goed? Wat zou ik ook weer zeggen? De paniek in zijn ogen na de aanslag op de Twin Towers. Ik moet iets doen. Wie zal ik het eerst pakken? Noord Korea, Afghanistan, Irak? Het werd Afghanistan. En daarna Irak. Uitgekookt wordt de inval in dat land voorbereid. Als president van de VS kan Bush de werkelijkheid definiëren die hem het beste uitkomt. Dus bewijst Colin Powell in de VN vergadering met lichtbeelden dat Irak wapens voor massavernietiging bezit. Kijk maar, díe containers. Nederland trapt er graag in, Balkenende voorop. We sturen troepen. De deal wordt maanden later door Balkenende en De Hoop Scheffer bezegeld op ontbijt-bezoek bij Bush. "Hi Jan Peter, hello Jaap." Twee padvinders onwennig op bezoek bij de hopman. Vannacht had ik een heerlijke droom. Daarin verloopt het bezoek bij Bush heel anders: JP schuift De Hoop Scheffer opzij ("Sorry voor je carrière, Jaap") en zegt tegen Bush: "Listen George, it's simple. You gave us onvolledige en onjuiste information. So after all there will be no Dutch forces in Iraq. When falsehood is spoken, dan is daar natuurlijk geen kruid tegen gewassen." Waarin een klein land groot kan zijn, wat een lef! JP herhaalt de woorden nog een keer. Hij straalt. Maar die tekst? Die ken ik. Dat zijn letterlijk de woorden waarmee hij het gedrag van Friso en Mabel typeerde toen hij weigerde de toestemmingswet voor hun huwelijk in te dienen. Scherpe woorden. Ik dacht toen ik ze hoorde: kan je wel tegen die twee. Het waren woorden die te laat en bij de verkeerde gelegenheid werden gesproken. Wat een leuke droom toch, waarin ik dat met een subtiele ingreep rechtzet. Iedereen wordt er beter van ... Begin juni dit jaar is Balkenende weer op bezoek bij Bush. JP voelt zich nog steeds genomen: een deuk in zijn normen, krassen op zijn waarden. Hij rept er met geen woord over. En dat parlementaire onderzoek naar de voorgeschiedenis van onze inzet in Irak? Dat komt er pas als hij weg is. |
© Dick van den Berg |
juni 2008 |
Kettingzaag |
| Mijn jongste broer wil een open haard aanleggen en heeft alvast een elektrische kettingzaag gekocht voor het zagen van het brandhout. Een Nederlandse handleiding zit er niet bij, alleen een paar onduidelijke Duitse instructies. Mijn vader, broer en ik besluiten om de zaag gezamenlijk in elkaar te zetten, want veiligheid gaat voor alles. Met onze verenigde kennis en kunde moet dit een makkie zijn. Maar de eerste keer is altijd lastig. De ketting moet in de juiste richting om het zaagblad. Hij mag niet te strak zitten, en ook niet te slap. En waar is die dop voor? Het blijkt de dop van de kettingolietank te zijn. Na een half uur zwoegen is de zaag klaar voor de test. Mijn broer steekt de stekker in het stopcontact, grijpt met zijn linkerhand het voorste handvat stevig vast, trekt de kettingrem naar achteren en drukt met zijn rechterhand de schakelaar in. Een enorm lawaai vult het huis. Hij doet het! Het nut van de man is weer eens aangetoond. Plotseling zien we een vonk in de zaag, hij slaat af en wil niet meer starten. Systematisch gaan we alle mogelijke oorzaken na. Zit de ketting misschien te strak? We halen hem eraf en proberen het opnieuw. Tevergeefs. Zijn de zekeringen doorgebrand? Vervanging helpt niet. Zit er genoeg kettingolie in? Het oliepeil staat boven de minimumstreep. Waar ligt het dán aan? Na een uur besluiten we dat de zaag kapot is. Het wordt donker. Mijn moeder drukt op de lichtknop en het licht gaat niet aan. De stop blijkt gesprongen. De zaag werkte verder prima. Maar die open haard is er nooit gekomen. |
© Adrie Kuil |
mei 2008 |
Twips |
| Mijn moeder volksdanste nog op haar negentigste. Alweer jaren geleden, toen het waarschijnlijk 'volksdansen voor bejaarden' heette. Bejaard, zo'n woord dat nu bijna verboden is, we zijn ouderen of senioren. Ik doe niet aan volksdansen, maar wel aan 'meer bewegen voor ouderen'. Elke donderdag ga ik naar het zwembad waar we met zo'n dertig vrouwen - van boven de vijftig tot diep in de tachtig - een half uur gymnastiek doen in het water. Op muziek. Mannen weten blijkbaar iets anders om in beweging te blijven, want ze zijn met twee stuks ondervertegenwoordigd. De zwemjuf is een energieke jonge vrouw, die het figuur heeft dat wij vroeger hadden of graag wilden hebben. Die tijd is voorbij, de meeste deelneemsters zijn in de loop van hun leven uitgedijd tot ver boven maat 44. Op de maat van de muziek doen we arm- en beenoefeningen die in het water veel makkelijker zijn dan op de kant. Alles beweegt weer, en wie het te snel gaat doet de oefeningen gewoon in zijn eigen tempo. Op de muziek van de 'twips' uit 'Ja zuster nee zuster' van Annie M.G.Schmidt twipsen we vrolijk met onze seniorlijven. Luidkeels zing ik mee: 'Als je zesentachtig bent, als je moe bent en verkouden, en je ziet een beetje pips oh oh oh, twips, twips, twips.' Na afloop drinken we thee in de kantine, die vast officieel restaurant heet. Ik zie chauffeurs binnenkomen van 'Vervoer op maat', want een aantal zwemsters beweegt op de wal een stuk moeilijker dan in het water. Zelf loop ik bijna swingend naar de tramhalte. 'Twips, twips, twips, eerst de handen op de heupen dan de handen op de ...' Alles beweegt soepel, schouders, heupen, knieën. Ik kan weer een week voort. |
© Els Ackerman |
Brigitte Bardot |
| In de voorkamer van oma stond het dressoir. Groot en glanzend. De drie laden in het midden waren een goudmijn, uren kon ik er in grasduinen. De bovenste was een besteklade, er lagen geen lepels en vorken in, maar spulletjes van mijn overleden grootvader: zijn portefeuille, een benen leesbril met ronde glazen en een pijp met een afgekloven steel, die net zo meurde als het riool. De onderste zat stampvol familiefoto's die kriskras door elkaar lagen. Zelfs van de oude portretten wist ik wie ze waren, oma had mij alle geschiedenissen verteld. In de middelste lade vond ik haar. Begraven onder blocnotes, enveloppen en briefkaarten. Brigitte Bardot. Ze poseerde voor een helblauwe achtergrond. Eén genaaldhakte voet troonde op de ronde zitting van een driepootkrukje. Haar petticoat was ruim boven de gebogen knie opgeschoven. Achter het been dat op de grond stond, reikte de rok tot onder de knieholte. Zwarte netkousen werden met jarretelles opgehouden. Tussen de kous en een lichtblauw kanten broekje, waarvan net een glimp zichtbaar was, zag je een stukje bloot been. Prachtig roze. 'Waarom zit deze kaart niet tussen de andere filmsterrenfoto's in de winkel?' vroeg ik. 'Een tikje te gewaagd, dat blote bovenbeen en die diep uitgesneden hals,' antwoordde oma, die overigens verre van preuts was. Zo gordde ze 's morgens, midden op de overloop, haar korset aan. Terwijl haar mollige vingers de minuscule haakjes aan de oogjes vastmaakten, vertelde ze het winkelmeisje wat er die dag allemaal moest gebeuren. En als op zaterdagavond haar broers een glaasje kwamen halen, liet oma, als ze op het toilet zat, de gang- en de wc-deur wagenwijd open, om maar niets te missen van de gesprekken over handel en politiek. Als ze plaste leek het of een helder klaterende bergbeek door de woonetage boven de winkel stroomde. 'Het is toch een mooie foto?' Ik keek haar niet begrijpend aan. 'Ja,' beaamde ze, 'hij heeft ook in het rek gestaan. Sjaan van der Pols heeft hem daar ontdekt. Ze zei, dat ze niet meer kwam, als ik zulke schunnige plaatjes verkocht. Sjaan koopt zeker honderd dorpsgezichten en wenskaarten per jaar, plus nog eens 52 rollen King pepermunt.' Vaak bekeek ik de foto. Ook oom Aart pakte regelmatig de ansicht uit de dressoirla. Hij was geen oom van mij, maar van oma. Opvallend klein was ie, en stokoud. Altijd droeg hij hetzelfde zwarte kostuum, dat op de billen en ellebogen slijtplekken vertoonde. Op zijn buik hing een gouden horlogeketting. Hij speculeerde op de beurs en was organist. Meer dan vijftig jaar had hij het orgel tijdens de kerkdiensten bespeeld. Naarmate hij ouder werd ging hij steeds langzamer spelen. Stille wenken om het kerkorgel aan een jonge organist te laten, negeerde hij. De samenzang met orgelbegeleiding van oom Aart werd een aanfluiting. De kerkenraad moest hem uiteindelijk wel van de orgelbank halen. Voortaan zat hij mokkend naast oma in de kerk. Oom Aart staarde altijd langdurig naar de Française. 'Het is toch verschrikkelijk,' mompelde hij als oma hem de ansicht uit handen nam. Plagerig zei ze dan: 'U heeft thuis uw eigen BB.' Twee bustes had hij op zijn orgel staan, links Beethoven en rechts Bach. Beethovens neus was beschadigd. Bach was nog gaaf. 'Geen profeet of apostel was zo groot als Bach,' placht oom Aart te zeggen. 'Heeft u BB ergens anders gelegd,' vroeg ik oma. Het was de eerste dag van een logeerpartij bij haar. 'Ik kom nooit in die la. Heb je wel goed gekeken?' Voor de zesde keer haalde ik de hele la leeg. 'Hij is foetsie.' 'Oom Aart staat ook regelmatig met dat portret in zijn hand,' zei oma, 'misschien heeft hij hem per ongeluk in de verkeerde la teruggelegd.' Ik haalde de andere laden ook helemaal leeg. Brigitte bleef onvindbaar. Oma had een donkerbruin vermoeden. Ik ook. Zondag in de kerk stootte ze me aan. Ze zette grote ogen op en keek nadrukkelijk naar oom Aart zijn psalmboek. Eerst zag ik het niet. Het boek lag opengeslagen bij de laatst gezongen psalm. Oom Aart zat te knikkebollen. Vragend keek ik naar oma. Die glimlachte. Ze bleef naar het boek kijken. Ineens zag ik het ook, uit de goudgerande bladzijden schoof langzaam het onderbeen van BB tussen de psalmen vandaan. Steeds sneller gleed de filmster weg; Oma ving haar op. Oom Aart schrok wakker. Hij werd vuurrood. Brigitte verdween in oma's handtas. Kees de Wolf vroeg of ik na schooltijd met hem meeging. Hij wilde me iets laten zien. 'Wat dan?' vroeg ik. Hij haalde zijn tong traag langs zijn lippen en lachte geheimzinnig. Op zijn kamer sloeg hij een oude atlas open. Ze lagen tussen Brazilië en Argentinië. Naaktfoto's. Niets te raden overlatende zwartwit prenten. Van het papier keken de blote meiden me met hun vissenogen aan. 'Geil, hè?' Kees kneep zijn ogen samen. Ik haalde mijn schouders op. 'Je houdt toch wel van meisjes?' Kees keek me aan of ik stonk. 'Tuurlijk. Maar dit is niks. Brigitte Bardot, dat is pas een stuk man.' Nu was hij het die zijn schouders ophaalde. Die nacht stond ze naast mijn bed. Eén genaaldhakte voet op mijn bureaustoel. Haar petticoat was tot ver over haar gebogen knie opgetrokken. Ze droeg zwarte netkousen, die met een jarretel werden opgehouden. Tussen de kous en het lichtblauwe kant, zag je een stukje roze been. Haar grote ogen glansden. Ik verdronk er in. Blauw. Alles werd blauw. Helblauw. 's Morgens was ze verdwenen. De volgende keer dat ik oma bezocht, liep ik direct naar het dressoir. Het was zeker al vijf jaar geleden dat ik BB voor het laatst in mijn handen had. Ze was er niet meer. Ik haalde de drie laden helemaal leeg. Spoorloos. 'Zoek je wat?' vroeg oma. 'Brigitte Bardot.' 'Die ligt daar niet meer.' 'U heeft haar toch niet weggegooid?' Oma schudde haar hoofd. 'Ze ligt op het kerkhof.' 'Kerkhof?' 'Bij oom Aart. Hij raakte niet uitgekeken op die foto. Ik heb haar bij hem in de kist gelegd.' |
© Ees de Winter |
februari-april 2008 |
Griep |
| Ik heb het zwaar te pakken volgens mijn vrouw. Niet dat ze mijn temperatuur heeft gemeten, nee, ze vindt me ongelofelijk chagrijnig en dan weet ze voldoende. Griep. Rillend lig ik op de bank en zap me door de avond. De stem van Marga van Praag dendert over me heen. Met huiveringwekkende opgewektheid interviewt ze gewone Nederlanders voor het NOS-journaal. Zeurende steken teisteren mijn hoofd. Meedogenloos trekt ze spontane antwoorden uit haar slachtoffers. Een kwartier heb ik nodig om mijn tenen recht te krijgen. Ik doezel weg. Weet niet hoe ik moet liggen: draai en wentel en keer en zie Daphne Bunskoek als rechtsbuiten in het programma RTL Boulevard. De baas zit in het midden en ze moet zo snel praten dat ze de helft van haar woorden inslikt. Onverstaanbaar. Of doen mijn oren het nu ook niet meer? Ach kind, doe iets wat bij je talenten past. Dat is gezonder dan elke dag in een ander jurkje met andere pofmouwtjes te lang en te hard om jezelf lachen, of erger nog om mr. Moskowitz. Weg ermee, zap. Met schele ogen van de hoofdpijn ontwaar ik Giel Beelen, zap, gevolgd door Ali B. Niets van betekenis komt er onder hun petten uit. Waarom zijn die jongens al maar in beeld? Andere zender. Een soort liefdadigheidavond. Met Bløf. De voorman zing-zegt zich door een lied. Al mijn spieren doen pijn. Nee, nee, flitst het door me heen, één Bono is al erg genoeg. Zap, zap. Met mijn ogen dicht lig ik op mijn rug. Mijn oren doen het nog want ik herken het kreunjodelen van Trijntje Oosterhuis, zap .. Griep, ik gun het niemand. De volgende dag gaat het gelukkig een stuk beter met me: 's avonds lig ik in bad met een Kuifje. |
© Dick van den Berg |
februari 2008 |
Brulaap (2) |
| 'Pappa, je staat in ons boek voor Nederlands.' Onverschillig legt mijn 13-jarige zoon een schoolboek op tafel. Ik kijk hem vragend aan. 'Kijk maar,' zegt hij. Ongeïnteresseerd sloft hij weg, met zijn handen in z'n zakken. Ik kijk in het boek. Verrek, wat staat daar nou? Adrie Kuil is met zijn vrouw in Mexico. Daar staat mijn naam. Hoe kan dat nou? Ik lees de zin nog een keer. Het staat er echt. Over welke Adrie Kuil gaat dit? Zij zetten hun tent neer op een open plek in het dichtbegroeide oerwoud bezoeken met een gids de ruïnes nemen een verfrissende duik in de rivier en verorberen een eenvoudige maaltijd. Dit komt uit een minicolumn van mij die ooit op de achterpagina van de NRC stond. Ze hebben er een opdracht van gemaakt, de leerlingen moeten de tekst overschrijven en de leestekens invullen. Mijn tekst, een beetje aangepast, overgeschreven door duizenden leerlingen. Wie had dat ooit kunnen denken. Mijn vrouw in ieder geval niet, ze is blij verrast. Maar onze puberzoon interesseert zich tegenwoordig bijna nergens voor. 'Boeiend,' roept hij, bijna net zo hard als een brulaap. |

© Adrie Kuil |
maart 2008 |
Fuutfuut trala |
| Mijn volwassen kinderen kennen het verhaal van fuutfuut trala. Mijn moeder heeft het ze verteld toen ze nog klein waren. Niet één maal, maar wel honderd of tweehonderd maal. En ik heb drie kinderen, dus reken maar uit. Op schoot bij oma, duim in de mond. 'Oma, fuut fuut trala vertellen'. Ik was dan druk bezig in de keuken of aan de telefoon, en hoorde mijn moeder voor de zoveelste keer vertellen over de kleermaker en zijn vrouw die ruzie kregen. Over de nachtelijke zoektocht van de kleermaker die alle kasten opendeed, in alle pannetjes keek, tot in de schoenpoetsmand toe. Over zijn vrouw die steeds nieuwsgieriger werd wat hij nu toch aan het zoeken was. Maar ja, ze spraken al twee dagen niet meer met elkaar. Als hij een deuntje floot keek ze hem hooghartig aan en neuriede 'tralalalala'. 'Fuutfuut' floot hij dan terug, want mijn moeder kon niet fluiten en loste zo het probleem op. De ruzie ging over pannenkoeken bakken. Ze hadden trek in pannenkoeken, maar de pan was stuk. Die hadden ze dus geleend van de buurvrouw, met de belofte dat ze een pannenkoek voor haar zouden bewaren. Maar de kleermaker had de laatste pannenkoek opgegeten. Ze hadden geen geld om nieuwe boter, meel en eieren te kopen, en zo kregen ze ruzie. Wie het eerste zijn mond open deed moest de pan aan de buurvrouw terugbrengen en vertellen dat ook de laatste pannenkoek op was. Het gezicht van het schootzittende kind stond in deze fase van het verhaal altijd op spannend, en ook een beetje lachen. Dat lachen zag je langzaam verdwijnen tijdens de nachtelijke zoektocht van de kleermaker. Hij keek in alle pannetjes en in alle kastjes. Met grote stappen beende hij op zijn pantoffels door het huis heen, een kaars in zijn hand. Zijn vrouw achter hem aan, zachtjes, in haar nachtpon. Je voelde de spanning, zo nieuwsgierig werd ze wat haar man nu toch aan het doen was. En hij ging maar door. Het kind op schoot zat intussen rechtop, rode wangetjes van opwinding, alsof het de eerste keer was dat oma dit verhaal vertelde. 'En toen oma, en toen oma?!?' 'En toen liep de kleermaker naar de kachel, en hij pakte een doosje dat daar al tien jaar stond. Op dat moment kon de kleermakersvrouw zich niet meer inhouden, en ze riep 'maar man, wat zoek je toch?' De kleermaker bleef staan. Hij draaide zich langzaam om en zei: 'dat heb ik nu gevonden vrouw, ik zocht jouw tong.' Een zucht van verlichting van het kind op de schoot. Gelukkig, het verlossende antwoord was er weer. En zo heeft het verhaal zich voortverteld naar de volgende generatie. Mijn kleindochter van vijf vraagt ook om fuutfuuttrala. Maar ik kan het niet zo mooi vertellen als mijn moeder. |
© Els Ackerman |
Nooit Te Oud |
| In de Chinese vaas zit een briefje waarop een naam is geschreven. Achter op het schilderij boven de bank is een sticker geplakt, waar een naam op staat. Onder het raderwerk van de antieke klok ligt een stukje karton met daarop een naam. Zestig en kerngezond was oom Karel toen hij aangaf wie na zijn dood welke spullen zal krijgen. Rond die tijd kocht hij ook een graf. Maakte een lijst met adressen van mensen aan wie een rouwkaart moet worden gestuurd. Regelde hij zijn begrafenis: de muziek, wie er spreekt en welke bakker de cake voor bij de nazit levert. En in een gedetailleerd testament werd vastgelegd hoe zijn kapitaal onder verwanten, vrienden en goede doelen verdeeld moet worden. In de loop van de jaren die volgden moest hij meer dan eens wat aanpassen of veranderen. Mensen verhuisden of gingen eerder dood dan hij. Sympathie voor potentiële erfgenamen nam toe of af, dus ook de hoogte van het hen toegedachte deel van de nalatenschap. Zijn muzikale voorkeuren wisselden nogal eens. De cake van de uitverkoren bakker werd op een dag te klef bevonden. Oom kwam zelfs tot de conclusie dat hij niet begraven maar gecremeerd wil worden. Ver in de negentig is hij als hij voor de zoveelste keer zijn testament heeft geüpdate. Hij vertelt me dat de notaris hem voor zijn leeftijd nog zo fit en bij de tijd vond. Ik beaam dat. Hardop vraag ik me af of hij niet onsterfelijk is en al dat geregel dus voor niets is geweest. 'Maak je geen zorgen jongen,' antwoordt oom Karel. 'Het kan nog even duren, maar een mens is nooit te oud om dood te gaan.' |
© Ees de Winter |
februari 2008 |
Ouderdom in de aanval |
| Een grijze haar, de eerste rimpels, ze deden me weinig. Natuurlijk, er komt een jaartje bij en dat kan je zien, niks aan de hand. Toen de haargrens zich terugtrok kon ik dat vrij makkelijk verdringen en na een flinke tijd zelfs accepteren. De eerste keer dat Ouderdom me recht in het gezicht raakte was op de ijsbaan. Op het rechte eind had ik flink snelheid gemaakt om mooi de bocht in te gaan. Na twee keer pootje-over kwam mijn zoon van veertien me binnendoor voorbij. 'Hoger op,' riep hij, zoals dat hoort. In een beentempo, twee keer zo hoog als het mijne danste hij langs me, één arm losjes zwaaiend. Moeizaam schraapte ik me door de rest van de bocht. Ik compenseerde de klap met de gedachte dat het voor de helft mijn genen waren die daar voorbij flitsten. Tegen de vijftig liep ik en lange tijd hield Ouderdom zich koest. Ik bedoel los van onverwachte sterfgevallen die je duidelijk maken hoe fragiel je bestaan is. En wat ik ook niet meetelde waren voorspelbare leeftijdskwalen. Of dat ik 's avonds na een lange dag op de bank in slaap viel. Tot ik besefte dat Ouderdom zijn strategie veranderd had. De brief die ik op de derde tree van de trap had gelegd om op de post te doen, was spoorloos verdwenen. De hele dag onvindbaar. Tot ik hem 's avonds vond: op de derde tree van de trap, één verdieping hoger. Na terugkeer van een wintersportvakantie was ik de sleutel van de documentenkast kwijt. Een jaar later vond ik hem terug in één van mijn zwemvliezen op zolder. Wel goed gevonden die plek, beter dan je sleutels verstoppen in een plastic doosje in de koelkast, daar schijnt elke inbreker het eerst te zoeken. Deze aanvallen van Ouderdom vond ik geniepiger. Maar nu ik weet hoe het werkt ben ik op mijn hoede en dat helpt. Intussen wacht ik, niet helemaal gerust, op de volgende aanval van Ouderdom. |
© Dick van den Berg |
maart 2008 |
Bombardement |
| Dinsdag 14 mei 1940, iets na enen in de middag. De Nederlandse mariniers houden in het Noorden van Rotterdam al vier dagen stand tegen de Duitse soldaten. Mijn overgrootmoeder Grietje Kuil en haar jongste zoon Wim zitten in de huiskamer van hun woning in de Bergstraat. Gespannen luisteren ze naar de berichten op de radio. De belangrijkste bezittingen zijn in een koffer gepropt, klaar voor de vlucht. Voor de zoveelste keer loeit het luchtalarm. Wim gaat naar de veranda, opoe kruipt onder de trap. Ze horen de Duitse bommenwerpers. Hun lage gebrom wordt steeds luider. Bommen suizen naar beneden en slaan in, steeds dichterbij. Het huis schudt heviger bij iedere inslag. Tot een bom zich dwars door het dak boort. De inslag blaast Wim de achtertuin in, opoe is door de voltreffer op slag dood. Ook andere huizen in de straat worden getroffen, evenals het Huis van Bewaring aan de Noordsingel. De Bergstraat staat voor een groot deel in brand. Grijze puinstofwolken belemmeren het zicht. Overal geschreeuw. Mensen vluchten in paniek de straat uit, richting Bergweg. Het bombardement op Rotterdam duurt een kwartier en maakt ongeveer 800 slachtoffers. De meeste van hen zijn op begraafplaats Crooswijk in een massagraf begraven. Door de sloop van de getroffen huizen is het Bleiswijkplein ontstaan, waar mijn kinderen vaak spelen. Ergens stond hier dus het huis van mijn overgrootouders. Tot aan de rampzalige dag waarop Rotterdam zijn hart verloor. |


© Adrie Kuil |
februari 2008 |
Druk (2) |
| 'Die dag is ook weer voorbij.' Mijn moeder verzucht het regelmatig, alsof het moeite kost de dag om te krijgen. Terwijl we koffie drinken vertelt ze wat ze allemaal doet. Breien voor Roemenië, koffieschenken voor de bewoners van het huis waar zij woont, de buurvrouw een kopje soep brengen, het houdt niet op. Zo druk. Is het een teken van verveling als je zegt dat je het zo druk hebt? Je zou het bijna denken. Hoe ouder, hoe drukker. Natuurlijk heb je meer tijd nodig voor persoonlijk onderhoud. Het gaat allemaal niet meer zo soepel. Daar staat tegenover dat je geen betaald werk meer hoeft te doen. Dat scheelt al snel veertig tot zestig uur per week. Maar als je het echt zo druk hebt, kost het geen moeite de dag om te krijgen. Die vliegt dan vanzelf voorbij. Aan de ene kant kan mijn moeder haar dag kennelijk niet omkrijgen, aan de andere kant verzucht ze dat de tijd zo snel gaat. Gelukkig is naar dat laatste onderzoek gedaan. Het leven gaat snel als je steeds hetzelfde doet, als er geen nieuwe ervaringen bijkomen. In het geval van mijn moeder klopt dat: ontbijten, koffiedrinken, even bij de buurvrouw langs, warm eten, een middagdutje, tv-kijken, een boterham en de rest van de avond weer tv-kijken. En passant worden de truien voor Roemenië gebreid. De tijd gaat dus snel. Maar de dag niet. Ze verveelt zich en wil daar niet voor uitkomen. Daarom vertelt ze al die verhalen over hoe druk ze het heeft. Misschien is het ook wel lief bedoeld: 'Maak je geen zorgen om mij, ik red me wel.' Hoe meer ze vertelt, hoe sterker een gevoel van leegte me bekruipt. Haar leven wordt steeds leger, geen man meer, de vriend die ze had is gestorven en mij ziet ze niet veel. Zelfs de hond is dood. Het gezin dat ze had is uitgekleed tot haarzelf. Wat moet ze nog? Om haar heen ziet ze medebewoners de meest gruwelijke ziektes krijgen en overlijden. Over haar eigen toekomst praat ze nauwelijks. Het blijft bij de melding: 'Als ik maar niet naar het verpleeghuis hoef, dat lijkt me zo erg.' Ze leeft van dag tot dag. Ik neem afscheid van haar. Alweer een dag voorbij. |
© Joke Tacoma |
februari 2008 |
Afleggen |
| Het onderbeen is hard en dik: oedeem. Ik heb het net gewassen met lauw water. Nou ja, van die elastieken kousen is hij verlost. Ik wilde erbij zijn, bij het afleggen. Dat had ik in een opwelling van retro-modern uitvaart-bewustzijn tijdens de familie-bijeenkomst gezegd. Het valt niet mee. Een lichaam als een karstgebergte: scheuren, richels, spelonken. Is dit de charmante lichtvoetige man die ik ken van de jeugdfoto's? Waar is de basketballer gebleven die vol bravoure met zijn rug naar de basket een punt scoort? De jonge vader met mij, een jochie van drie, op zijn arm, de vaste Sinterklaas van de lagere school, de trotse opa: ik zie ze niet terug in het gekrompen en verschrompelde lijf voor mij. De echte ouderdom begint bij 80. Dan is het stoppen met wandelen in de bergen en met sporten, want 'één val en je hebt je heup gebroken ..'. Met 87 hield hij op met autorijden, dat was maar goed ook. Een jaar later kreeg hij dikke onderbenen en kon niet langer een ommetje maken. Een ommetje, de ontsnappingsformule waarmee hij alles overleefde. Elke scheefliggende straattegel werd een potentiële doodsmak. 'Dit bedoel ik,' zei hij, 'kijk mij nu schuifelen, precies wat ik nooit wilde. Ik wil gewoon lopen maar het gaat niet meer.' Fietsen, dat nog wel. Wij vonden het te riskant. Dat was hij niet met ons eens. 'Ik spring niet meer in het zadel. Ik heb een lage instap. Alle boodschappen doe ik in de zijtassen. Gaat prima.' Het laatste jaar was zijn doel om de 90 te halen. Dat deed hij voor ons, want zelf was hij klaar met leven. Een vreemde tijd, hij was opgewekt en hulpeloos tegelijk. 'Joh, ik heb een mooi leven gehad, ik had altijd geluk. Maar het is op, het lijf wil niet meer. En het ergste, ik kan niet meer helder denken jongen. Nooit last van gehad: soep in mijn hoofd. Om niets raak ik paniek. Kan jij me niet laten opnemen in het ziekenhuis? Dan stop ik met eten en drinken en na vijf dagen: finito, net als mijn broer.' Halverwege zijn dijbeen sta ik te knoeien met water. 'Voorzichtig hè,' klinkt het naast me, 'en met zeep wassen.' Ik voel me oud. In mijn neus welt het vocht op. Straks volgen de ogen. Mijn handen droog ik af aan mijn broek. 'Maken jullie het maar af. Dit is toch niks voor mij, geloof ik.' Ik verdwijn naar buiten. Even een ommetje maken. |
© Dick van den Berg |
Petje |
| Joran van der Sloot is op de televisie onafscheidelijk van zijn petje. Marc-Marie Huijbregts draagt in 'De wereld draait door' een soort blauwwitte ijsmuts. In de schouwburg zitten op de rij voor me twee jongens van een jaar of veertien, allebei met een petje. Ik zou het wel van hun hoofd af willen slaan. Waar die agressie bij mij vandaan komt weet ik niet. Ik vind het onbeschoft om binnenshuis een pet op te houden. Of een ander hoofddeksel. Hoeden en petten zijn voor buiten. Als het waait en als het koud is. Zeker voor mannen. Vrouwen dragen vrijwel geen hoeden meer, alleen op Prinsjesdag mogen de vrouwelijke leden van de Tweede Kamer hun gevoel voor mode showen met een uitzonderlijk hoofddeksel. Op foto's uit het begin van de twintigste eeuw zie je allemaal mannen die een pet of een hoed op hebben. Hoed voor de heren, pet voor de arbeiders. Jan met de pet. Zonder iets op hun hoofd waren ze niet gekleed. Mannen namen hun hoed af als ze een vrouw tegenkwamen die ze wilden groeten. Dat waren de beleefdheidsregels. Belachelijk ouderwets heb ik het altijd gevonden. Jongetjes van twaalf jaar met een pet op. Geen stap buiten de deur zonder hoofddeksel. En nu doen ze het weer, zowel binnen- als buitenshuis. De petten of de ijsmutsen groeien op hun hoofd blijkbaar. Ik kan er niet tegen. Pet af. Maar zelfs mijn ex-man heeft zo'n wollen mutsje gekocht. Helemaal in de mode. Gelukkig alleen voor buiten. Hij denkt er net zo over als ik. Misschien heeft het toch iets met leeftijd te maken. |
© Els Ackerman |
Sukkel |
| Gisteren liet ik Floortje uit in het park. Enthousiast bracht ze de door mij gegooide tennisbal terug. Blaffend en springend vroeg ze de bal nog een keer te gooien. Wat ik dan ook deed. Ze spurtte er achteraan. Nog niet bij de nastuiterende bal aangekomen stond ze ineens stil. Van de andere kant had een Duitse herder de bal voor haar neus weggekaapt. 'Sukkel,' riep ik, 'je laat je toch niet zomaar aftroeven.' Het vrouwtje van de herder gaf me lachend de bal terug. 'Weet waar je je hond voor uitmaakt,' zei ze. 'Want er wordt vaak beweerd dat de hond en zijn baas op elkaar lijken.' |
© Ees de Winter |
maart 2008 |
Weegschaal |
| De medewerkers van Vrouwe Justitia zijn altijd op zoek naar de waarheid. Wie deze illusie wil behouden kan sommige boeken beter niet lezen. Zoals het boek De Schiedammer Parkmoord van P.J. van Koppen. In juni 2000 werd in een Schiedams park een tienjarig meisje vermoord. De verdachte van deze gruweldaad voldeed niet aan het signalement dat haar neergestoken speelvriendje had gegeven. Ook kon hij vanuit zijn werk onmogelijk op tijd naar de plaats van het misdrijf zijn gefietst. En op die plaats waren geen sporen van hem gevonden. Toch werd hij in 2002 veroordeeld tot 18 jaar gevangenis plus TBS. In 2003 onderzocht Van Koppen de zaak. Het dossier bleek onvolledig, herkenningsproeven waren verkeerd uitgevoerd en ontlastende informatie was achter gehouden. Zoals over de fiets van de verdachte. Twee getuigen stonden vijf minuten bij een fiets te praten die bij de plaats van het misdrijf lag. De eerste getuige vertelde aan de politie dat de fiets van de verdachte leek op de fiets in het park. Maar hij verklaarde: 'Ik denk dat het de fiets niet is omdat het zeker weten een ander slot betrof.' Een paar maanden later mailde de politie foto's van de fiets van de verdachte naar de in het buitenland verblijvende tweede getuige. Deze verklaarde dat dit de fiets was die hij in de berm had zien liggen. Hij herkende de fiets aan de kleur en het model. Maar de opgestuurde foto's waren... zwart-wit! Tijdens de rechtszaak verzweeg de officier van justitie zowel de ontlastende zin van de eerste getuige als de ondeugdelijkheid van de tweede herkenning. Hierdoor leek het alsof de fiets van de verdachte bij de plaats delict lag! Barbertje moest hangen. Van Koppen concludeerde in zijn boek dat de veroordeelde waarschijnlijk onschuldig was. Hij kreeg gelijk toen in 2004 de echte dader zich meldde. Soms wordt de weegschaal van Vrouwe Justitia stiekem aan de schuldige kant naar beneden getrokken. En dan treft haar zwaard een onschuldige. |
© Adrie Kuil |
februari 2008 |
Thuis |
| 'Wat zie jij er goed uit.' Enigszins verbaasd antwoord ik: 'Dank je'. Ik voel me niet bepaald goed. Verlopen, moe, hangerig. Hoe kan iemand zeggen dat ik er goed uitzie? Nou ja, misschien wilde ze aardig doen. Een paar dagen later vindt weer iemand dat ik er goed uitzie. Turend kijk ik in de spiegel. Donkere kringen onder mijn ogen. Ik moet 's avonds vroeger mijn bed in. Maar uitgerekend om die tijd begin ik op te leven. Wordt het leven leuker. Slapen kan altijd nog. 's Ochtends gaat de wekker te vroeg. 'Ben je op wintersport geweest?' 'Nee, hoezo?' 'Je bent zo bruin.' Nu begint het kwartje te vallen. Ik zie er helemaal niet goed uit, ik ben gewoon bruiner dan de rest van de Nederlanders. Dat kan kloppen. Als de zon schijnt, zit ik erin. Ik open de schuifdeur en zit beschut in de zon. Heerlijk. Omdat ik thuis werk, kan ik op die momenten mijn vakliteratuur lezen. 'Nee, ik werk. Thuis.' |
© Joke Tacoma |
februari 2008 |
Klemtoooonen |
| In een radio-interview spreekt een mevrouw over 'democràtie' en 'òndervoeding'. Die kende ik nog niet. Als je een beetje oplet en er gevoel voor hebt, merk je dat veel klemtonen in onze taal aan het verschuiven zijn. 'Pólitiek' en 'économisch' zijn normaal Nederlands geworden, luister maar naar het nieuws. Maar òndervoeding? Daar krijg ik een heel ander beeld bij dan van zielige kindertjes in een noodgebied. Onder is bij mij nog altijd een tegenstelling met boven, en wat is dan bovenvoeding? Al die fors uitgevallen mensen die op tv proberen gewicht kwijt te raken, die twee stoelen nodig hebben om op te zitten, zijn die bovengevoed? In de radiowereld had de regisseur vroeger een standaardgrapje: 'jongens, denk aan de klemtónen'. Dat was dan even opletten en streepjes zetten in je tekst. Misschien zijn regisseurs die de klemtónen kennen wel uitgestorven. Zelfs het woord 'regie' heeft een andere betekenis gekregen. Via de brochure van een conferentie kan ik me aanmelden voor een dag over 'de regie van de stad', en het gaat echt niet over een toneelstuk. In een personeelsadvertentie wil bedrijf X een manager werven voor de regie-voering van een afdeling. Soms vraag ik me af hoe de mensen over honderd jaar zullen spreken. Articuleren ze nog? Of gaat het allemaal binnensmonds net als bij de nieuwslezers die 's morgens heel vroeg alles afraffelen om binnen de tijd klaar te zijn? Ik ben altijd blij als om acht uur weer iemand dienst heeft die de woorden normaal verstaanbaar uitspreekt, zonder de helft in te slikken. Waar doet me dit aan denken? Aan mijn moeder die op hoge leeftijd vond dat acteurs zo onverstaanbaar spraken. Die aan mij vroeg bij een enthousiast verhaal van mijn dochter: 'wat zegt ze allemaal?' Word ik soms oud? Maar dat van de klemtónen is waar, het staat zelfs in het blad 'Onze Taal'. Meestal als klacht van een oudere taalpurist. En toch ben ik tegen òndervoeding. |
© Els Ackerman |
IJs (2) |
| Leunend tegen een vrieskast wacht ik in de supermarkt op mijn vrouw, die de boodschappen doet. Ik haal van alles wat lekker is uit het schap, maar wat niet op haar lijstje staat. Vandaar. Een eindje bij me vandaan staat nog een man. Zijn zilvergrijs haar is gemillimeterd. In zijn rechteroor blinken twee gouden oorringen. Onder zijn leren jack bolt een buikje. Hij staat naast een winkelwagentje. Zijn vrouw komt telkens een boodschap in het karretje leggen. Ze is klein en breed en heeft halflang, rood geverfd haar. Haar met bont afgezette suède jas staat open. In de lage V-hals van haar truitje trilt een niet meer zo strakke decolleténaad. 'Zoek maar vast ijs uit,' zegt ze, 'ik ben bijna klaar.' De man pakt chocolade-ijs uit het vriesvak achter hem en legt het bij de andere boodschappen. Het duurt lang voor de vrouw weer terug is. Ze heeft een pak saté bij zich. 'Heb jij liever met pindasaus,' vraagt ze. De man haalt zijn schouders op. 'Ik eigenlijk wel,' zegt zij. Ze sloft weer weg. Aan haar laarzen hangen pompoenen, die kittig heen en weer slingeren. De man draait een sjekkie en steekt het achter zijn oor. Hij pakt de bak chocolade-ijs uit het karretje. Knijpt er in. Zucht. En legt het terug in het vriesvak. Zijn vrouw komt weerom met saté in een bruine substantie, vacuüm in het plastic. 'Je hebt geen ijs gepakt,' zegt ze na inspectie van de ingeslagen voorraad. Ze pakt de bak chocolade-ijs weer uit het vriesvak en deponeert die boven op de andere boodschappen. 'Ik heb liever met pindasaus,' bouwt de man de vrouw na. Hij ruilt de chocolade in voor walnotenijs. Agressief duwt hij het winkelwagentje richting kassa. Even later komt de vrouw met het walnotenijs terug naar het vriesvak. De pompoenen dansen om haar laarzen als ze met de bak chocolade-ijs weer naar de kassa sjokt. Mijn vrouw komt met een vol winkelwagentje langszij. 'Als jij het ijs uitkiest,' zegt ze, 'dan kijk ik nog even bij de tijdschriften.' |
© Ees de Winter |
december 2007 |
Oversteken |
| Na twee weken droogte jaagt de wind miezerige regen over de straten. Op de derde verdieping sta ik voor het raam. Aan de overkant zoeken twee jongens de beschutting van de huizen. Ze hebben stevig de sokken er in. De oudste, een jaar of zestien maakt met zijn handen boksbewegingen. Hij maakt er sprongetjes bij. De ander, hij is tengerder en oogt iets jonger, lacht en knikt. Bij het zebrapad willen ze de brede weg oversteken. Jonge boompjes in de strook gras tussen de rijbanen zwiepen in de wind. Van links komt geen verkeer en de jongens lopen het zebrapad op. Rechts is een eindje verder een stoplicht op groen gesprongen. Een sliert auto's trekt op. Van bovenaf zie ik door het beregende raam hoe dicht ze op elkaar zitten. De jongens op het zebrapad zijn nu ter hoogte van de middenberm en ze houden de pas niet in. De voorste auto remt op het laatste moment, de bestuurder rekende er duidelijk op dat de jongens zouden stoppen. De wagen glijdt een eind door maar staat precies op tijd stil. De jongens lopen door, kijken niet op of om. Drie korte klappen. Vóór elke klap een stilte waarin een auto met geblokkeerde wielen op zijn voorligger afglijdt. De klappen eindigen in hoog gerinkel van brekend glas. De auto's toucheren elkaar net. Heel even blijven de jongens staan. De portieren van de auto's zwaaien open. Mensen stappen met tegenzin uit. De tengere jongen schudt zijn hoofd, de oudste haalt zijn schouders op en pakt de ander bij de elleboog om verder te lopen. Geen gewonden zo te zien. De regendruppels op de ruit belemmeren mijn zicht. De bestuurders inspecteren hun wagens. Ze wijzen naar het zebrapad. De jongens zijn al uit beeld. Onwillekeurig moet ik grinniken om die knapen. Totdat ik de puinhoop nog eens goed bekijk. Die zwarte jas bij de voorste auto. Is dat mijn vrouw? |
© Dick van den Berg |
januari 2008 |
Thee |
| Voor het concert begint neem ik even een bakje koffie. Bij de Doelen is dat gratis, mits je er een concert bijneemt. Tegenover me zitten twee mannen. De ene man draagt een geruit overhemd, type houthakker, een spijkerbroek en doffe schoenen. Zijn bril zit scheef. Zijn buurman ziet er uit om door een ringetje te halen: grijze gestreepte broek, donker jasje, wit overhemd, donkergrijs vestje, glimmende schoenen. De buurman is al oud, zo oud dat zijn mond zover ingevallen is dat ik vermoed dat er geen gebit meer in zit. Misschien is het vader en zoon. De vader heeft zichtbaar plezier, kennelijk zit hij er niet mee dat zijn zoon zijn klederdracht niet heeft overgenomen. Vader drinkt koffie. De zoon heeft een glas met heet water en een theezakje. Hij pakt het zakje uit de verpakking en doet het met label en al in het hete water. Hij roert. Dat wordt sterke thee, denk ik. Hij roert nogmaals. Zou het zakje het houden? Als het kapot gaat is de thee helemaal niet meer te drinken. Het zakje overleeft het. De thee is donker. De zoon neemt een slok. Zijn gezicht vertrekt. Dat zou het mijne ook doen. Vader ziet het niet, hij kijkt net even weg. Zou die zoon wel eens thee hebben gezet? De huidige manier van theezetten (met een éénpersoonszakje soppen in heet water) kent hij zo te zien niet. Ik zie hem thuis ook geen pot thee zetten. Hij neemt weer een slok. Mijn mond trekt samen. Zelfs mijn neus reageert. Vader keuvelt verder. Bij de volgende slok komt de bovenkant van het zakje boven het vloeistofniveau. Het zit aan de kant waar de zoon drinkt. Zou hij nu op het idee komen het zakje eruit te vissen? Zowel de vader als de zoon beschikken over een lepeltje. Nee. Hij drinkt voorzichtig verder, zodat het zakje niet in zijn mond schuift. Gefascineerd kijk ik toe. Zo heb ik mijn thee nog nooit gedronken. Na elke slok vertrekt zijn gezicht, maar zo te zien springen de tranen niet in zijn ogen. Hij moet wel veel dorst hebben. Misschien is het een vorm van zelfkastijding. Dan perst hij straks met het lepeltje het zakje uit. Nee, hij drinkt gedachteloos, maar voorzichtig verder. Nu zou het de vader toch op moeten vallen dat zijn zoon er een vreemde manier van theedrinken op na houdt. Het lijkt hem niet te deren, zoals hij ook niet reageert op het houthakkershemd. Het lijkt zelfs wel of hij het niet ziet. Eigenlijk wel heel mooi hoe die vader niet reageert. Ik zit in gedachten te oordelen over de theeceremonie van de zoon en vind dat het anders moet. Maar waarom? Omdat het zo hoort? Welnee, als die zoon zo zijn thee wil drinken, moet hij dat vooral zo doen. Ik kan nog veel van de vader leren. Mijn koffie is koud geworden. |
© Joke Tacoma |
november 2007 |
Tijd (2) |
| 'We zijn al weer een week op vakantie,' zegt mijn vrouw terwijl ze haar aantekeningen bijwerkt. 'We zijn toch pas vier dagen weg?' is mijn reactie. De urenlange autoreis vanuit Rotterdam naar het dorpje Viehhofen in Oostenrijk. Inspannende wandelingen steil omhoog; met als beloning bij een berghut een apfelstrudel of een kaiserschmarren, stukjes pannenkoek met rozijnen. Goud wassen in de Hüttwinkel Ache. Of beter gezegd zand en stenen wassen, want goud hebben we niet gevonden. Nog geen milligram. Een adembenemende rit langs smalle haarspeldbochten naar de 2571 meter hoge Edelweisspitze, met daarvandaan uitzicht op tientallen bergen hoger dan 3000 meter. Vervolgens naar de Grossglockner, met 3797 meter de hoogste berg van Oostenrijk. Lopen in de eeuwige sneeuw. Wandelen door de Seisenbergklamm, een smalle kloof die sinds de laatste ijstijd door de Weissbach is uitgesleten in de kalkrotsen. Een bezoek aan het geboortehuis van Wolfgang Amadeus Mozart in Salzburg, met daarin onder andere zijn concertviool en klavecimbel. Dit alles, en nog veel meer. Wel een beetje veel voor vier dagen. 'Het is vandaag vrijdag,' merkt ze op. En dus heeft ze gelijk, want verleden week vrijdag zijn we vertrokken. De tijd gaat snel als je veel meemaakt. |
© Adrie Kuil |
augustus 2007 |
Kassa |
| 'Heb je 't ook gezien op tv? Kassa, daar kijk jij toch ook naar? Dat consumentenprogramma. Waar je altijd kunt zien hoeveel klachten er in die week waren over de KPN of over UPC. En dan komt er zo'n directeur of een aardige mevrouw van de PR-afdeling uitleggen dat ze toch zo hun best doen, en dat volgende week alle klachten opgelost zijn. Op de tribune zitten altijd een paar klagers, die mogen hun verhaal doen en zij krijgen voorrang bij de oplossing van hun problemen. Bijvoorbeeld als een aangetekende brief niet is aangekomen, of zo'n apparaat van Microsoft maakt krassen op hun dvd. Jij hebt toch ook zo'n AXA-slot op je fiets? Nou, kijk maar uit. Ze hebben pas nog laten zien hoe gemakkelijk een dief dat openkrijgt, zo'n slot dat je moet hebben als je je fiets wilt verzekeren tegen diefstal. Dat doen ze met een blanco sleutel. Ze lieten het zien in een reportage, je zag precies zien hoe die reporter dat deed, niks aan, zo gepiept. Kun je bij elke slotenmaker kopen, zo'n sleutel, denk ik. Heb je het nou gezien of niet?' 'Ja, heb ik gezien op internet. Een handleiding voor dieven toch? Maar pas een week na de uitzending, toen mijn fiets al verdwenen was. Met het AXA-slot. Handig hoor. Moeten ze vaker doen, bij Kassa, zo'n handleiding voor oplichters en dieven. Dat hadden we nog niet op de televisie.' |
© Els Ackerman |
Kauwgomplaatjes |
| Ik zet de radio harder, Zwei Kleine Italiener wordt gedraaid. Net als vroeger zing ik met Conny Froboess mee. Tot ik me tot The Stones bekeerde was dit nummer mijn favoriete meebruller. Elf was ik en adoreerde het zangeresje met de reeënogen en de guitige koontjes. Mijn vriendje Gijs vond haar een tut. Hij was op prinses Irene. En ook, net als ik, verliefd op Tineke die bij ons in de klas zat. 'Een lekker wijf,' vond Gijs. Maar in haar buurt bleef er van zijn branie niet veel meer over. Ik met mijn zwarte brillenmontuur deed al helemaal geen poging om haar te imponeren. Van alles verzamelde ik in die tijd: ansichtkaarten van vliegtuigen en zeeschepen, postzegels, sigarenbandjes en ik had een paar honderd speldjes die op een stuk schuimplastic waren geprikt. De verzameling filmsterrenfoto's was mijn mooiste bezit. Meer dan honderd van die plaatjes van vijf bij tien centimeter bezat ik. Je kreeg ze bij een even groot dun plakje roze kauwgom, dat heel zoet was. Na een poosje heftig kauwen kon je er een kauwgomballon van blazen, de kunst was het moment van uiteenspatten zo lang mogelijk uit te stellen. Al mijn snoepgeld, een dubbeltje per week, ging er aan op. Ik kwam niet uitgekeken op de filmsterren. Gina Lollobrigida met haar weelderige boezem en rode zoenlippen. Gijs vond haar te oud. 'Maar,' sprak hij zijn vader na, 'op een oude fiets moet je het leren.' Ook Brigitte Bardot vond hij maar niks. 'Bij iedere nieuwe film is ze met een andere man,' schamperde Gijs, 'die meid gaat van hand tot hand.' Connie Froboess hoonde hij helemaal weg. 'Een moffin,' sneerde hij. Het woord mof stond hoog in de vocabulaire hitparade van zijn vader. Op de foto leunde Connie tegen een boom, verlegen zwoel keek ze opzij. Ik was verliefd op haar. Dat verhinderde niet dat ik ook smoor op Tineke Los was. Ik had de kauwgumplaatjes mee naar school genomen. Tineke was niet bij me weg te slaan. Aandachtig bekeek ze de foto's van de sterren. Ik vertelde hoe ze heetten en uit welk land ze kwamen. 'Mooi,' zuchtte ze, toen de bel ging en ik de plaatjes opborg. 's Avonds in bed kreeg ik plots een briljant idee. Ik sliep onrustig die nacht. De volgende morgen was ik vroeg op. Op mijn knieën zat ik op de grond, voor me lagen de filmsterrenplaatjes uitgespreid. Rex Gildo, Cliff, Catherine Valente... Een voor een bekeek ik ze. Ik nam ze mee naar school. Alleen de foto van Conny Froboess liet ik thuis. Op het schoolplein ging ik direct naar Tineke. 'Wil jij ze hebben?' vroeg ik en hield haar het stapeltje kauwgomplaatjes voor. Begerig trok ze de filmsterren uit mijn handen en stopte ze in de zak van haar zeiljack. 'Zullen wij met elkaar gaan?' vroeg ik. Ik voelde mijn wangen kleuren. 'Nee,' zei ze en liep weg. Gijs vertelde ik alleen dat ik mijn filmsterrenverzameling aan Tineke had gegeven. Hij keek me verbaasd aan en haalde zijn schouders op. Bij het licht van mijn zaklamp keek ik die avond in bed heel lang naar de foto van Connie Froboess. |
© Ees de Winter |
december 2007 |
Bruid |
| De ochtendkou trekt zich terug van het plein. Het oude kerkje en de espressobar ernaast liggen nu vol in de zon. Op het kleine terras drink ik mijn koffie. Tientallen bruiloftsgasten zijn zojuist de kerk binnen gegaan. Daar wachten ze, samen met de bruidegom, op de bruid. Uit een zijstraat komt een zwarte Mercedes tevoorschijn. Hij maakt een bocht over het lege plein en stopt voor de kerk. De chauffeur springt uit de auto, loopt voorlangs en opent het portier voor de bruid. Uit het andere portier werkt haar vader zich naar buiten. Ze schikt haar jurk. Voorovergebogen strijkt ze mechanisch over de gladde stof tot de plooien verdwenen zijn. Met haar lange hals en rechte schouders lijkt ze op mijn dochter. De vader van de bruid haalt beide handen door zijn zwart met grijze haren en biedt haar zijn arm aan. Zij haakt niet in. Ze zuigt haar lijf vol lucht, schudt licht haar armen en kijkt naar de grond alsof ze moet plaats nemen in de startblokken voor de honderd meter sprint. Achter haar rijdt de auto weg. Met zijn tweeën staan ze voor de deuren van de kerk. Gistermiddag bekeek ik de middeleeuwse kerk. In een hoek waren een jongen, twee meisjes en een oudere vrouw bezig met het maken van bloemstukken. Met ijzerdraad verstevigden ze zelfgeplukte bloemen uit het veld en honderden witte rozen. De eerste boeketten stonden al langs het gangpad en voor het altaar. Romantischer kon niet. 'Domani' en 'nozze' ving ik op. Ah, morgen een bruiloft. Of ik een dochter had, vroegen ze. 'Si.' En hoe oud? 'Venti,' antwoordde ik. 'Bellissima? 'Ja, ja.' Al getrouwd? 'No, no.' Met veel gelach gaven ze me alvast een witte roos voor haar mee. De twee staan nog steeds voor de dichte kerkdeuren. Hij staat er rustig bij, klaar om zijn dochter weg te geven. Zij staat gespannen als een boog, met hoge schouders. In de verte klinkt een orgel. De grote deuren openen op een kier en zwaaien weg. Ze steekt haar arm door die van haar vader. Een blik opzij, een glimlach. Ze haalt diep adem, ik adem met haar mee. In een nevel van zonnestralen, dreunende orgelmuziek en de geur van rozen stappen ze naar binnen. |
© Dick van den Berg |
december 2007 |
Hoe langer het wachten |
| In twee lange rijen staan honderden mensen lijdzaam op hun beurt te wachten. De politie probeert het fietspad vrij te maken. Het is half negen in de ochtend op oudejaarsdag. De temperatuur is rond het vriespunt. Meeuwen cirkelen hoog in de grijze lucht. Ik sluit aan bij de rechterrij. 'Vannacht waren ze open,' hoor ik iemand zeggen, 'toen was het ook druk.' Het eerste half uur kom ik zes meter vooruit. De kou kruipt langzaam vanuit mijn voeten omhoog. De lengte van de rijen is intussen verdubbeld. Ze zouden net als bij de Efteling bordjes neer moeten zetten: vanaf hier drie uur wachten. Een blond meisje loopt voorbij en roept met een blik vol ongeloof 'dit is absurd.' Een oude man fietst langs en schampert 'zijn ze soms gratis?' Met mobieltjes worden foto's van de menigte gemaakt. Een televisieploeg richt zijn camera op de wachtenden. Voordringers verwijst men vriendelijk doch resoluut naar het eind van de rijen. De andere rij gaat aanzienlijk sneller, want een langzame bejaarde vrouw bedient ons. 'Graag een vervanger voor oma!' schreeuwt men. Om half elf ben ik eindelijk aan de beurt. Ik neem mijn bestelling in ontvangst en wandel met een triomfantelijke blik langs de wachtenden. De heerlijke geur doet mij het water in de mond lopen. Ik besluit er vast een op te eten. Al lopend neem ik een hap... mmmm... verrukkelijk. Hoe langer het wachten, des te groter het genot. Het Algemeen Dagblad had gelijk met het rapportcijfer 10. Dit zijn echt de lekkerste oliebollen van Nederland. |
© Adrie Kuil |
december 2007 |
Lezing |
| De mevrouw die de lezing houdt gaat als een razende door haar tekst heen. Af en toe kijkt ze op, alsof ze met schrik ontdekt dat er ook nog luisteraars zitten. Ik probeer in het begin te volgen wat ze zegt, en merk dat ik allang weet wat zij daar staat te vertellen. Ik trek een serieus gezicht alsof ik nog steeds bij de les ben, maar intussen vang ik alleen nog losse woorden op. De andere aanwezigen drinken koffie, zitten met het hoofd in de handen, bijten nagels, leunen zwaar met de kin op hun hand, krabben wat in het rond. Op de achtergrond ritselt een schoonmaker met papier en plastic zakken. Plotseling verandert de stem van de voorleesmevrouw: ze heeft haar tekst losgelaten en vertelt nu gewoon iets bij een schema dat ze vertoont met de overheadprojector. Heel even is ze echt aanwezig, ze maakt nu wel contact met de mensen die er zitten. En dan gaat ze verder met haar tekst, ze heeft het echt goed voorbereid. Straks krijgen we allemaal een kopie van haar verhaal, zei ze in het begin. Ik hoef dus niet meer te luisteren, en ik glijd weer weg in mijn eigen fantasiewereld. Daarin staat iemand een lezing te houden die haar papieren thuis heeft laten liggen, en die daardoor gewoon uit haar duim een verhaal vertelt. Persoonlijk, sprankelend en af en toe even zoekend naar woorden. Zoals ik het zelf zou willen kunnen. Ik zit nog steeds in de zaal en zie tegenover mij een man letterlijk in slaap vallen. De schoonmaker ritselt nu iets zachter. Ik zie hem af en toe langs schieten bij een open deur achter de spreekster. Mijn fantasie gaat over in een visioen: de schoonmaker is klaar en doet de deur op slot, hij kan weer naar huis. En wij zitten de hele nacht opgesloten met een mevrouw die niet meer kan ophouden en steeds opnieuw haar verhaal afdraait. Tot wij het allemaal in koor met haar mee gaan opdreunen. Tot wij alles weten van de stottertherapie. In het visioen doe ik tenslotte vermoeid mijn ogen dicht. Ik voel de rust van mijn ademhaling. Het applaus is oorverdovend. En de glimlach van mijn buurman veelzeggend. |
© Els Ackerman |
Dennis |
| Met de Landelijke Sla Commissie ben ik in het Limburgse. We bezoeken er slatelers. Eén van onze gastheren is Dennis, een uit de kluiten gewassen jongeman van achter in de twintig. Zijn helblonde haar staat stijf van de gel. Hij heeft een dikke zilveren ketting om zijn nek en een bril met een rood montuur. Uit zijn mobieltje klinkt voortdurend een schrille melodie. Luid staat hij de bellers te woord. In zijn BMW rijdt hij voorop en loodst ons over een wirwar van weggetjes van het ene naar het andere bedrijf. De excursie eindigt op zijn eigen tuinderij. Het glasbedrijf van anderhalve hectare is nog geen jaar oud. Voor de kassen is een grote bedrijfsruimte opgetrokken. Daarnaast, omgeven door een nog maagdelijke bloementuin, staat een prachtig landhuisje. Gedreven laat hij ons zijn bedrijf zien. De oogstband. De plantmachine. De computerruimte. De koelcel. Zijn sla staat er mooi bij. Op het pad in de kas discussiëren we met hem over teelttechniek en toekomstperspectief. Hij geeft aan dat hij zijn bedrijf wil uitbreiden. 's Avonds gaan we eten. Ik zit tegenover Dennis. Na nog wat praten over de sla komen we via het carnaval op het geloof. Eén van de collega's vertelt dat hij een evangelisch christen is. Alles is door God voorbeschikt, volgens hem. 'Iedereen mag geloven wat hij wil,' reageert Dennis, 'maar ik geloof niet meer in een God.' Hij verschuift zijn soepkom. 'Mijn vriendin is overleden. Een half jaar terug werd haar buik in korte tijd steeds dikker. Zwanger, dacht de huisarts. De test wees uit van niet. Ze moest meteen naar het ziekenhuis. Kon niet anders dan een grote vleesboom zijn, zeiden ze daar. De volgende dag werd ze geopereerd. Maar het was niet haar baarmoeder. Er zat een tumor. Van twee kilo. Zo groot.' Dennis houdt zijn handen dertig centimeter uit elkaar. 'Een maand later is ze gestorven. Zesentwintig was ze.' Twee meisjes zetten de borden met het hoofdgerecht op tafel. Niemand zegt iets. Dennis snijdt met forse halen een stuk van zijn kogelbiefstuk af. 'Ze werkte met hart en ziel in de zwakzinnigenzorg. Heeft nooit gerookt. Dronk geen alcohol. Was altijd opgewekt. Waarom zij?' Zwijgend eten we ons vlees. Een ober vult de glazen bij. Hij maakt een opmerking over het weer. Niemand gaat er op in. Dennis legt mes en vork op zijn lege bord. 'Toen ze ziek werd waren we de grond aan het klaar maken. Er moest geplant worden. De schuur was nog niet af. Nieuw onervaren personeel. Heen en weer tussen ziekenhuis en de tuin. Waken, werken, waken, werken... Ik hield haar hand vast toen ze stierf. Na de begrafenis heb ik alleen nog maar gewerkt. Je kan achter in de kas op een tuinstoel gaan zitten piekeren, maar dat helpt toch ook niet. Hij kijkt weg het restaurant in. Als iemand mij iets ergs vertelt val ik meestal stil. Alles is lucht, najagen van wind, flitst het door mijn hoofd. Afgelopen zondag bezocht ik een optreden van de acteur Henk van Ulsen. Hij droeg Prediker voor. Iemand die goed leeft treft een zelfde lot als een losbol en Wat God doet kan geen sterveling doorgronden. De een na de ander zegt troostend bedoelde woorden: de tijd heelt alle wonden en er zijn heel wat mensen die hun partner jong hebben verloren. De meest droevige verhalen met een happy end gaan breed uitgemeten over tafel. Het dessert wordt gebracht. Dennis kijkt me aan. 'Weet je, voordat Sandra ziek werd had ik echt lol in mijn werk en in mijn leven. Nu werk ik om te overleven.' Hij spit met zijn lepel in de dame blanche. 'Nee, God bestaat niet.' Alles is lucht, najagen van wind. Eergisteren in het theater was het decor sober. Zeven metalen muziekstandaards stonden op een verder leeg podium. Van Ulsen las telkens van achter een andere lessenaar voor uit Prediker. Wisselde hij van standaard dan klonk er surrealistische orgelmuziek. Ik genoot van de tekst, de voordracht, de muziek. Ontdaan ben ik van Dennis zijn verhaal. Alles is lucht, najagen van wind, die woorden dansen door mijn hoofd, op dreunende orgelklanken. |
© Ees de Winter |
november 2007 |
Marrakech |
| Als ik tussen de middag het hotel uitkom weet ik niet wat ik zie. Rijendik staan de mensen langs de weg van het vliegveld naar de stad. De zon brandt. Om de vijf meter een soldaat, jongens zijn het nog, het uniform slobbert om hun iele schouders. 'Le Roi' ontvangt Sarkozy in Marrakech, hoor ik. Sarkozy, ook hier. In de verte nadert gebrom van helikopters en motoren. Vrouwen gillen en zwaaien met poppen waarvan het hoofd bestaat uit een bos bloemen. Jongens in rode djellaba's blazen op klaroenen en zorgen voor opzwepend getrommel. Meestal mijd ik dit soort gelegenheden. Nu sta ik, net aangekomen in Marrakech, in mijn handen te klappen. Sarkozy houdt zich vast aan het handvat vóór hem. Hij lijkt overdonderd. Met één hand zwaait hij af en toe naar het publiek. Vanaf zijn middenrif steekt hij uit boven het dak van de kolossale Mercedes. Naast hem de koning van Marokko, Mohammed VI. Die wuift, kennelijk gewend aan zijn plaats in de auto, losjes met beide handen naar zijn onderdanen. Kinderen zwaaien met Franse en Marokkaanse vlaggetjes. De stoet zoeft voorbij. Zeven motoren in V-vorm breken de trillende lucht vóór de koninklijke Mercedes. Nog eens tien motoren omzwermen de auto van de twee mannen in donker pak, zonnebrillen op, haren strak naar achteren. Het heeft iets komisch en toch ben ik onder de indruk. 's Avonds zie ik op de televisie hoe bij de ontvangst op het paleis, aan het eind van de middag, zwierige ruiters de motoren vervangen. Na een paar dagen Marrakech begrijp ik waarom Mohammed VI Sarkozy juist híer verwelkomde en niet in de hoofdstad Rabat. Een kwestie van imponeren. Het zindert in Marrakech. De opwinding hangt in de lucht. Elke dag 15000 bezoekers schijnt het. Ze lossen moeiteloos op in de uitgestrekte stad. Overal wordt gebouwd. Woonwijken en winkels schieten uit de grond. De onroerend goed prijzen gaan over de kop. Het lijkt of alle Fransen een tweede huis in Marrakech willen. Tony Blair zit er ook. Het eten is goedkoop, op straat voel ik me veilig en de zon schijnt overvloedig. De sneeuw van de Hoge Atlas ligt onder handbereik. Brood smaakt hier naar brood en kip naar kip. En de medina betovert me net als in 1970. 'Hippie, hippie,' riepen ze me toen na. 's Avonds rookten we op het grote plein onze zojuist aangeschafte hasjpijpjes en werden ziek van het eten uit de kraampjes. Kif (hasj) proberen ze je niet meer te verkopen. Duizenden brommertjes vergeven nu de lucht zoals in elke opkomende stad in Azië. Maar dit is Afrika. De boodschap van Mohammed VI is duidelijk: Marrakech is 'booming' en Marokko volgt in het voetspoor. |
© Dick van den Berg |
oktober 2007 |
Opladen |
| Op een zonnige septemberochtend beklim ik de trap van station Rotterdam Hofplein. Tot voor kort de beginhalte van de Hofpleinlijn. Nu rijdt hier Randstadrail, vanwege vele aanloopproblemen ook wel Rampstadrail genoemd. Op het perron staat een informatiekiosk. 'Hoeveel strippen is het naar Leidschendam?' vraag ik. 'Strippenkaarten zijn hier niet geldig meneer,' zegt het meisje achter de balie, 'alleen de OV-chipkaart. Maar u kunt hier een gratis kaart aanvragen.' Ik vul een aanvraagformulier in en krijg een gratis chipkaart. 'U kunt hem daar opladen.' Ze wijst naar een apparaat op het perron. 'Ik help u wel even.' Ze komt achter de balie vandaan en loopt met me mee. Haar hulp lijkt me overbodig, zo moeilijk kan dat opladen niet zijn. 'U legt de kaart in dit bakje,' zegt ze, 'en dan maakt u op het aanraakscherm uw keuze.' Ik kies voor opladen met tien euro, betaal met mijn pinpas en wil de chipkaart pakken. 'Nog even wachten!' roept ze. 'De kaart wordt opgeladen, kijkt u maar op het scherm.' Daar staat inderdaad dat de kaart wordt opgeladen. 'Veel mensen halen de kaart er te vroeg uit,' zegt het baliemeisje berustend, 'want bijna niemand leest de waarschuwing op de oplader.' Het invoeren van de OV-chipkaart in Nederland kost ongeveer een miljard euro. En dan ontwerpen ze een apparaat waaruit je de kaart kunt halen vóórdat hij is opgeladen! Blijkbaar hebben ze nooit gehoord van de wet van Murphy: als iets fout kan gaan, dan zal het ook fout gaan. |
© Adrie Kuil |
oktober 2007 |
Sociaal kapitaal |
| Een paar jaar geleden hoorde ik voor het eerst van de term sociaal kapitaal. Bij het woord kapitaal denk ik aan geld en bij sociaal juist niet, dus ik moest er even over nadenken. Sociaal kapitaal zijn je vrienden, familie en andere mensen waar je wat mee van doen hebt. Je kunt kapitaal opbouwen door een goede vriend voor iemand te zijn en sociaal kapitaal 'opnemen' als je in een situatie komt waarin je je vrienden nodig hebt. Ruim acht jaar geleden bevond ik mij in zo'n situatie. Ik had een zware buikoperatie ondergaan en mocht daarna zes weken lang niet meer dan één kilo tillen. Kortom: geen zwaar werk doen, geen boodschappen doen, niet koken. Best aantrekkelijk, maar ook onhandig. De eerste week na de operatie lag ik in het ziekenhuis. Een vriendin zag onmiddellijk kans te investeren in onze relatie: als je weer uit het ziekenhuis komt, ga ik een keer voor je koken. Deze geste meldde ik daarna aan ander bezoek. Mijn sociale omgeving heeft aan een half woord genoeg, dus al snel moest de agenda erbij om de investeringen te reguleren. Gedurende drie weken kwam er zo'n vijf keer per week iemand langs om voor mij te koken. Wat een genot: er werd aangebeld en een vriendin stapte met een gevulde boodschappentas naar binnen. Even keuvelen, vragen naar elkaars welbevinden en daarna ging ze naar mijn keuken om te koken. Met haar boodschappen en mijn keukenspullen. Ik vlijde mij vermoeid op de bank. Geluiden, geuren en gezelligheid vulden de ruimte. Samen eten, het bezoek wast af en verlaat mijn woning met een lege boodschappentas. Ook vrienden en familie lieten zich niet onbetuigd. Wat een luxe, wat een weelde, ik denk er nog met veel plezier aan terug. Na die drie weken was ik voldoende hersteld om zelf boodschappen te doen. Je kunt tenslotte de boodschappen één voor één in je wagentje, één voor één in je auto en weer één voor één in je blokkerkar doen, zodat de boodschappen steeds door wielen worden gedragen. Iedereen dus weer terug uitgenodigd. Het gekke is dat ik me uit die tijd nog twee situaties goed kan herinneren: de vriendin die met het idee kwam en een kennis, die geen etentje terug accepteerde. Zo eens in de twee jaar kom ik die kennis toevallig tegen en dan schiet me meteen te binnen dat ik bij haar in de schuld sta. Pogingen om de schuld in te lossen zijn gestrand en ik zou het allang vergeten moeten zijn. Het geld dat ik ooit van mensen heb geleend, heb ik voor zover ik weet terug betaald. Dan weet je ook een precies bedrag. Maar bij sociaal kapitaal ligt dat veel ingewikkelder. Sommige mensen waar ik ooit redelijk intensief mee omging zie ik niet meer. Ligt dat aan mij? Soms heb ik een vriendschap inderdaad bewust laten verwateren. Maar andere keren niet. Heb ik te weinig sociaal kapitaal geïnvesteerd? Die kans is groot. Niet bewust, maar soms komt het er niet van. Het wordt tijd om weer eens wat mensen uit te nodigen om te komen eten. |
© Joke Tacoma |
oktober 2007 |
Nummerherkenning |
| Op het display zie ik wie belt, dus ik kan opnemen met 'dag schat' als ik daar zin in heb. Of ik laat de voicemail zijn werk doen, als ik de naam lees van iemand waar ik nu net even niet mee wil praten. Nummerherkenning is best praktisch. Na mijn overstap van KPN naar een nieuwe aanbieder doet de nummerherkenning het niet meer. Ander systeem, begrijp ik uit de handleiding. Ik sta dus voor een keuze: doorgaan met dit toestel maar dan zonder nummerherkenning, of een moderner apparaat aanschaffen waardoor ik weer weet wie er belt als het signaal gaat. Even heb ik heimwee naar de tijd dat je helemaal geen telefoons kon kopen, maar een exemplaar huurde bij de voorganger van KPN. Iedereen had hetzelfde toestel, zwart met een draaischijf. Loodzwaar. Allemaal met hetzelfde harde belgeluid. Een kort snoer, zodat je alleen kon telefoneren als je vlakbij het toestel bleef. Dat is nu oude geschiedenis, die toestellen kom je alleen nog tegen op de rommelmarkt. Huren kan nog wel geloof ik, maar in telefoonwinkels en folders van elektronicaconcerns kan de consument kiezen uit een oneindige variatie van toestellen met de mooiste namen. De bekende merken zijn het duurste, de klonen het goedkoopst. Ik zoek zekerheid, met mijn gebrek aan technisch inzicht verwacht ik die bij een gerenommeerd merk. Mijn telefoonaanbieder verkoopt ze. In de telefoonwinkel trek ik een nummertje, en ik ben aan de beurt nadat de mevrouw voor mij al haar woede op de toonbank en over de verkoopster heeft uitgestort. Iets mis blijkbaar. De verkoopster weet er geen raad mee, en haar collega die mij zou helpen springt bij. Wat een rotbaan, denk ik, als je de hele dag dit soort klanten voor je neus krijgt. Ik ben dus extra vriendelijk, en vertrek met een prachtige doos waarin een duo-telefoon zit. Een voor de huiskamer en een voor de slaapkamer. 'Ik kom terug als het me niet lukt', roep ik als afscheid. Drie dagen later ben ik bijna net zo kwaad als de mevrouw die voor mij aan de beurt was. Alle handleidingen ten spijt lukt het me niet de telefoon aan het werk te krijgen. Ik voer exact de handelingen uit zoals ze zijn voorgeschreven, maar het apparaat doet niet wat de gebruiksaanwijzing belooft. Wel ontdek ik dat er al een lijstje namen en telefoonnummers in opgeslagen zit, van mensen die ik niet ken en die ik niet heb ingeprogrammeerd. Als ik dat aan mijn zoon vertel roept hij 'terugbrengen die handel! Ze hebben je een refurbished toestel verkocht'. 'Refurbished' blijkt een vakterm in de elektronicawereld te zijn. Elk apparaat dat door een ontevreden klant wordt teruggebracht, gaat opnieuw 'refurbished' in de doos. Keurig dichtgeseald, het ziet er uit als nieuw. Kijken of de volgende klant er tegen de nieuwprijs weer intrapt. 'Zeg vooral tegen de verkoper dat die telefoon refurbished is', zegt mijn zoon. 'Dan weet hij meteen dat je er verstand van hebt, en dan neemt hij hem terug.' Het werkt. De verkoper - een andere dan de vorige keer - wil het apparaat eigenlijk niet terugnemen omdat ik het niet zo volmaakt heb ingepakt als toen ik het uit de winkel meenam, maar hij gaat om en ik krijg mijn geld terug. 'Refurbished' mompel ik als ik op straat sta. Weer een nieuw woord geleerd. Gelukkig is de Mediamarkt vlakbij. En ik loop naar huis met de volgende telefoon in een dichtgesealde doos. |
© Els Ackerman |
september 2007 |
Een appelboompje |
| 'Al die veeziektes, branden en overstromingen zijn tekenen des tijds.' Buurman Mulder sprak met stemverheffing. Hij stond voor de heg van mijn tuin. Beide handen in de zakken van zijn Manchesterbroek. Opvallend lange, witte borstharen gulpten uit zijn halfopenstaand, verschoten overhemd. Buurman bereed weer eens zijn stokpaardje, wist ik uit ervaring. 'Oorlogen en geruchten van oorlogen zullen er zijn in die laatste dagen voor de Heiland terugkomt op aarde.' Hij boog over de heg. 'Wat ben jij aan het doen?' 'Een kuil graven, buurman. Voor een boom.' Ik wees naar het appelboompje dat tegen de schuur stond. 'Net als Luther,' grapte ik. 'Net als Luther?' zei Mulder mij na. 'Als ik weet dat morgen de jongste dag is dan zal ik vandaag nog een boompje planten, heeft Luther gezegd.' 'Heeft ie dat gezegd?' 'Dat weet u toch wel?' Mulder keek me indringend aan. 'Ja, nou je het zegt.' Hij lichtte zijn smoezelige pet een eindje van zijn hoofd en krabde langdurig in zijn grijze haren. Onderwijl staarde hij met open mond naar de kuil en het appelboompje. 'Waar heb je die appelboom gekocht?' 'Bij het tuincentrum aan het eind van de weg. Deze week halve prijs.' 'Ik ga.' Zonder groeten draafde buurman weg, richting tuincentrum. Zijn klompen klepperden op het asfalt. Grinnikend maakte ik het gat nog wat dieper. Maar Mulder ging niet naar het tuincentrum. Buurman plantte geen boompje. Wel bazuinde hij door heel het dorp: 'Ees de Winter zegt, dat morgen de Here Jezus wederkeert op aarde. Hij poot daarom een appelboom. Dat moet van Luther.' |
© Ees de Winter |
april 2001 en oktober 2007 |
Tachtig plus |
| Hij is zesentachtig, mijn buurman. Rotterdammer. Vroeger deed hij iets met schepen. We mogen elkaar wel, tenminste dat gevoel heb ìk. Van zijn kant ben ik er niet helemaal zeker van, want meestal is hij wat kortaf: 'Weertje, hè'. Maar soms, als het hèm uitkomt, is hij verbluffend open. 'Ik ben nu al weer vijftien jaar zonder mijn vrouw en sinds die tijd doe ik alleen nog wat ik zelf wil. Begrijp me goed, ik mis mijn vrouw nog elke dag. Maar geen beleefdheidsvisites, geen verplichtingen, zelf je dag indelen, dat geeft vrijheid. Aan de andere kant móet ik zo nu en dan even kletsen met iemand.' Vandaag geeft hij een hint. 'In de zomer sta ik om half zeven op. 't Liefst ontbijt ik in de zon, die schijnt hier precies naar binnen. Enfin dat weet je. Alleen die bomen achter in de tuin moeten eens gekortwiekt anders zit ik straks in de schaduw.' 'Eind van de zomer ga ik snoeien,' antwoord ik, 'dan kan ik ze gelijk meenemen.' Op zijn tachtigste is hij gestopt met tennissen. Dat werd hem te link. 'Eén keer vallen, een gebroken heup en het is einde oefening.' Zijn wereld werd er weer wat kleiner door. Autorijden doet hij nog wel. Alleen vaste routes. 'Jongen, ze zijn overal aan het werk. Sommige stukken van de stad herken ik niet eens meer.' Van een wegomlegging raakt hij in paniek. 'Vreselijk is dat. Had ik nooit.' Verder praatjes voor tien. Helemaal enthousiast over André Rieu op tv. 'Hij zit er wel eens naast met zijn viool maar dat geeft niet. Die muziek zing ik zo mee. Jeugdherinneringen.' En met de caissières van de supermarkt beleeft hij de grootste avonturen als ik hem moet geloven. Diepgaande contacten wil hij eigenlijk niet meer. Alleen maar lastig. 'Die oude mensen, als je daarmee aan de praat raakt, allemaal kommer en kwel. Zo'n verzorgingshuis daar krijgen ze mij niet in. In je rolstoel in de rij staan tot je naar de wc mag. En in het verpleeghuis verstoppen ze de afstandsbediening van de tv, mij niet gezien. Ik ben toch geen drolletje drie uit Overschie. Als mijn tijd gekomen is om af te nokken hou ik wel op met eten.' 'Zie je die reiger? Daar.' Hij wijst naar boven met een kromme vinger. 'Wat een bigsteamer.' Ik kijk omhoog en knik. Hij gebaart naar zijn tuin: 'Zeg, als je die bomen een kopje kleiner maakt, dan ben ik je zeer erkentelijk.' Ik antwoord in stijl: 'Komt voor zijn roodkoperen, buurman.' |
© Dick van den Berg |
september 2007 |
Tijd |
| 'Ik wil een nieuwe spelcomputer,' zegt mijn zoon van 12, terwijl hij op zijn PlayStation 2 een voetbalspel speelt. 'Waarom?' vraag ik. 'Deze doet het toch nog goed?' 'Hij is al vijf jaar oud!' klinkt het verontwaardigd. 'Vijf jaar?' roep ik verbaasd. 'Dat kan niet, je hebt hem pas een jaar of drie.' 'Als je me niet gelooft,' daagt hij me uit, 'zoek het dan maar op.' In mijn administratie vind ik de aankoopbon. Zes augustus 2002. Hij heeft dus gelijk. Het overkomt me tegenwoordig vaker dat ik gebeurtenissen dichterbij schat dan ze in werkelijkheid zijn; zoals de vuurwerkramp in Enschede (2000), 9/11 (2001) en de invoering van de euro (2002). Misschien komt dit omdat ieder nieuw jaar relatief gezien een steeds kleiner gedeelte van mijn leven vormt. Het tiende levensjaar is één tiende, mijn vijftigste levensjaar één vijftigste en het honderdste levensjaar nog maar één honderdste deel van het leven tot op dat moment. Daarom voelen latere jaren korter dan eerdere jaren, waardoor gebeurtenissen dichterbij lijken dan ze feitelijk zijn. Of ben ik gewoon slecht in schatten? |
© Adrie Kuil |
juli 2007 |
Zonnebloem |
| Als ik bij een veld zonnebloemen sta, kijken de kernen me allemaal aan. En hoewel alle ogen anders zijn, lijken ze allemaal betrouwbaar. Alsof ze zeggen: kom maar, het is feest vandaag. Het is overigens een fabeltje dat zonnebloemen met de zon meedraaien. Daar zijn de stelen ook veel te stevig voor, er zit geen draaimechaniekje in. De schoonheid van een zonnebloem vind ik geweldig. Vooral het okergele van de tientallen blaadjes die om de kern zitten. Een weelde van zonnestralen, zo helder, dat het de kern met al zijn meeldraaden nog donkerder maakt. Zo'n geel blaadje is aan het uiteinde lichter dan bij de kern. Bij de kern wordt het wat bruiner. Hoe is het mogelijk, dat moeder natuur het zo kan maken. Het is niet eens na te schilderen. Van Gogh heeft een goede poging gedaan, maar het is toch anders dan de zonnebloem zelf. Meer een impressie. De kern. Prachtig donkerbruin, met duizenden meeldraaden, allemaal even mooi en perfect. Ze vormen een krans om het deel van de kern waar uiteindelijk de pitten worden gevormd. De potentiële pitten vormen een wiskundige reeks: vol regelmaat en ritme. En toch rond. Maak het maar eens na. Zelfs al begrijp je de wiskunde die er achter zit, dan nog is het niet na te tekenen. Zelf maak je altijd wel een foutje. Zo'n zonnebloem niet: die heeft maar één pit nodig om een hele zonnebloem te worden. Waarom hebben zonnebloemen zulke lange stelen? Ze zijn soms langer dan mensen. Een metertje korter zou toch ook wel genoeg zijn. Geen idee, waarom dat is. Het voordeel van de lange stelen is dat ze in een grote vaas mooi tot hun recht komen. Je kunt ook regelmatig een stukje van de steel afsnijden zonder dat hij te kort wordt. Het groen van de bladeren past ook weer prachtig bij de bloem. Ooit leerde ik dat 'het wordt je groen en geel voor de ogen' betekent dat groen en geel niet met elkaar harmoniëren. Maar de zonnebloem laat zien dat dat niet zo is. Ik kan me er over verwonderen dat de natuur zo scheutig is met al haar kleuren en dat het per plant altijd bij elkaar past. Er is ook een nadeel aan een zonnebloem: hij ruikt niet lekker. En toch trap ik er iedere keer weer in als ik een bos zonnebloemen krijg: ik ruik. Niet doen. Stelen schuin afsnijden en in lauw water zetten. Kijken. Verwonderen. Schoonheid. |
© Joke Tacoma |
augustus 2007 |
Internetten en bellen |
| De monteur van UPC zit op zijn knieën in de gang. De storing die zo simpel leek is blijkbaar moeilijker op te lossen dan hij dacht, want hij is al anderhalf uur bezig. Gisteren belde ik de helpdesk omdat zowel internet als telefoon waren uitgevallen. Vriendelijke heren kreeg ik aan de lijn. Ze wilden mij van alles laten doen wat ik niet kon. Kabeltjes losdraaien die ik helemaal niet kon vinden. Stekkers ergens uit trekken en er dan weer in stoppen. Dat kreeg ik nog wel voor elkaar, alleen het hielp niet. Ik voelde me zwakbegaafd en in elk geval digibeet, terwijl dat in het dagelijks leven best meevalt. Maar vooral boos en ongelukkig. De monteur loopt heen en weer tussen de gangkast en het modem in de boekenkast. Ik bied nog maar eens een kop koffie aan, ook al weigerde hij die een uur geleden. Deze keer zegt hij ja. Waarom wind ik me zo op als ik niet kan internetten en bellen? Ben ik zo afhankelijk van deze techniek dat ik me totaal onthand voel als ik onbereikbaar ben en ook zelf niemand kan bereiken? De monteur pakt het serieus aan, de volgende anderhalf uur werkt hij nog harder tot alles het weer doet. En ik weet nog steeds niet waarom ik me zo opwind. 's Avonds zegt mijn zoon: 'Moeder, je bent verslaafd. Het zijn gewoon afkickverschijnselen'. Nu weet ik dus hoe dat voelt. |
© Els Ackerman |
september 2007 |
Hollands Glorie |
| In 1972 deed ik eindexamen MTS. Voor Nederlands moesten wij drie boeken lezen. De leraar keek me meewarig aan en schudde zijn hoofd, als antwoord op mijn vraag of ik Hollands Glorie van Jan de Hartog mocht lezen. 'Waarom niet?' vroeg ik. Hij maakte een wegwerp gebaar. 'Ik Jan Cremer,' zei hij, 'raad ik je sterk aan om te lezen.' Barst, dacht ik en koos naast Terug Naar Oegstgeest van Jan Wolkers en Het Bittere Kruid van Marga Minco, voor een boek uit 1900: De Oogst van Stijn Streuvels. Op het mondeling examen ondervroeg de leraar me alleen over het boek van Jan Wolkers. 'Mocht je van je ouders Cremer niet lezen?' vroeg hij op het eind. Ik vertelde hem dat ik een heel oud boek had gekozen, uit balorigheid, omdat ik De Hartog niet mocht lezen. En dat ik het in één ruk had uitgelezen. Het verhaal van Rik en zijn vriend Wies die uit Vlaanderen naar Frankrijk trokken om daar te gaan maaien, was onverwacht mooi. De docent moest er om lachen. 'Jan de Hartog is geen Literatuur,' zei hij en gaf me een hand. 'Je hebt een negen.' De Oogst herlees ik iedere drie jaar. Van Jan de Hartog heb ik praktisch alles gelezen, niet omdat het niet mocht maar omdat hij een meesterverteller was. Jan Cremer, die ook furore maakte als schilder, staat niet in mijn boekenkast. Onlangs zag ik een tulpenschilderij van hem. Terwijl ik het kleurrijke doek op me in liet werken, welde spontaan de titel van de eerste bestseller van Jan de Hartog in me op, Hollands Glorie. |
© Ees de Winter |
juli-september 2007 |
Bruggen |
| Sevilla. Stad van socialistisch bestuur en streng katholiek opgevoede meisjes. Machomannen en homokroegen. Waar het geld rolt en de bedelaars hun vaste stek hebben. De fel gekleurde stoffen voor de flamencojurken kan je er per meter kopen. In April is het verrukkelijk in de oude binnenstad. Maar ik wil de brug zien. De Alamillo-brug over de Quadalquivir. Ontwerp van de geniale architect Calatrava voor de wereldtentoonstelling in 1992. Eén kaarsrechte, los achterover hangende pyloon met daaraan alle tuien die de brug dragen. Spectaculair. Calatrava-bruggen zijn gewild over de hele wereld, je kan er als stad je imago mee oppoetsen. De tweede dag ga ik kijken. En och, wat valt hij tegen. De brug van Calatrava ligt er "flojo" bij. Spreek uit "floggo" met een zo scherp mogelijke Spaanse "g". Slordig betekent het. Al jarenlang familietaal bij mij, ooit uit Spanje meegekomen. De promenade aan de oostkant is verwaarloosd, graffiti op de muren. Geen wandelaar te bekennen. De vangrail in het midden van de brug verspringt overal in hoogte. De pyloon is vaal wit; hij oogt iel en wat stijfjes. Ver van het oude stadshart van Sevilla loopt de brug van niks naar nergens: vanaf een groot voetgangersonvriendelijk verkeersplein voert hij een zesbaans autoweg over de rivier naar de noordrand van het desolate terrein van de wereldtentoonstelling. Verloren ligt hier het resultaat van de Andalusische dadendrang om Barcelona en Madrid te overtroeven. Rotterdam. Minstens zo ambitieus als Sevilla, altijd in competitie met die andere stad. Het litteken van de brandgrens uit 1940 bakent de nieuwbouw af. Geen traditionele fiesta's in de Maasstad. Hier bedenken ze het ene festival na het andere. Èn er ligt een brug. Door Ben van Berkel afgekeken van Calatrava. De pyloon hangt niet zo los achterover, is minder gewaagd. Maar de knik erin maakt hem elegant: de Zwaan. Alles is forser aan de Erasmusbrug maar dat hoort bij een stad die groot gemaakt is door bootwerkers en kolensjouwers. De Zwaan heeft een plek in het hart van de stad, een nieuwe stad waarin hij perfect past. Na wat wiebelige aanloopproblemen ligt hij er mooi bij, 's avonds badend in zoet schijnwerperlicht. Alles klopt aan die brug. Het is geen Calatrava maar soms moet je je zegeningen tellen. |
© Dick van den Berg |
juni 2007 |
Isabel |
| Aan het begin van een nieuw seizoen maakt de Slakommissie altijd een dagtrip naar België. Men bezoekt daar een veiling, de proeftuin en enkele teeltbedrijven. Laat in de middag gaan ze steevast naar het gehucht Jezus onder de Eiken. Daar staan de slakassen van Isabel. Nu zijn er wel meer vrouwen die sla telen, maar niet één is zo adembenemend mooi als Isabel. En zo jong. De andere slateelsters zijn tanig en van middelbare leeftijd of nog ouder. Ze lopen ook enigszins voorovergebogen. Zo niet Isabel. Fier loopt ze voor de Nederlandse slatuinders uit. Haar kort geknipt blond haar goudglanst in de zon. Ze is eerder klein dan groot. Op een vale spijkerbroek draagt ze een slobbertrui. Ze praat aan één stuk. Druk gebarend. Wat ze zegt dringt niet echt tot de tien Hollanders door. Ze zien niet de grote slakroppen. Ze hebben geen oog voor de lichtgewicht oogstband. Ook de nieuwe slarassen die Isabel uitprobeert laten hen nu even Siberisch. Gebiologeerd staren ze naar de jonge vrouw uit Jezus onder de Eiken. Hun ogen zuigen haar wezen in zich op. Het zijn geen geile blikken. Het is pure devotie. Soms valt Isabel even stil en kijkt vragend met haar grote bruine ogen naar de mannen. Die glimlachen dan naar haar en mompelen: 'Mooie sla.' Bij het afscheid drukken ze beurtelings voorzichtig hun baardstoppels tegen de wangen van het meisje en met getuite lippen kussen ze haar blozende konen. Zwijgend rijden ze dan naar een Belgisch etablissement waar ze de dag met een diner afsluiten. Met elkaar spreken ze niet over Isabel. In stilte vereren ze haar. Alleen wanneer onder het eten de voorzitter gaat staan en het glas heft, zeggen alle mannen hem in koor na: 'Op Isabel.' Als thuis hun vrouwen vragen: 'Hoe was de sla in België?' Dan antwoorden ze allemaal hetzelfde. 'Blond. Blond en mals.' |
© Ees de Winter |
juni 2007 |
Rekenen |
| 'Moeder snijdt een taart in drie gelijke stukken. Eén van die stukken wordt eerlijk verdeeld tussen Tom en Nelleke. Welk deel van de hele taart krijgt Tom?' '... een vierde.' 'Een vierde? Hoe kom je daar bij?' 'Nou, er zijn vier stukken taart en Tom krijgt één stuk.' 'Dat is niet goed. Volgende opgave. Hoeveel m² is 14 hectare?' 'Dat is 14 keer... 100 dus 1400 m².' 'Dat is ook niet goed. Van de negentien rekensommen heb je er veertien fout. Heb je geen rekenen gehad op de havo?' 'Jawel, maar de lerares begreep het volgens mij ook niet helemaal.' 'Hoe kun je jouw leerlingen dan straks rekenen leren?' 'Ach, daar hebben we toch rekenmachines voor.' 'Maar om iets uit te kunnen leggen moet je de lesstof beheersen.' 'Ja hallo zeg, als ik Einstein was dan zat ik niet op de pabo!' 'Einstein? Je zit nog niet eens op het niveau van groep 7 van de basisschool!' 'Ik kan toch niet overal goed in zijn? Ik ben sterk in taal en dat is veel belangrijker dan rekenen.' 'De laatste opgave. Leerkrachten hebben vijftien weken vakantie per jaar. De minister besluit dat ze jaarlijks vijf dagen langer gaan werken. Hoeveel weken vakantie blijven er per jaar over?' 'Vijftien... want ze blijven met hun poten van de vakantiedagen af!!!' |
© Adrie Kuil |
juli 2007 |
Zelfvertrouwen |
| Op weg naar het Concertgebouw in Amsterdam loop ik richting PC Hooftstraat. Ik wil nog even een trui kopen. Ik had zo'n sjieke trui, lekker dun, van wol en daardoor nooit te koud of te warm. Hij ging vaak mee in de rugzak en nam weinig plaats in. Het voordeel van dun heeft als nadeel dat hij bij de ellebogen doorgesleten is. De PC Hooftstraat staat bekend om zijn modieuze zaken, daar hebben ze vast wel zo'n trui. De eerste winkel die ik zie is Hugo Boss. Ik blijf op de drempel staan. Wel erg deftig. Kan ik hier zo naar binnen, in spijkerbroek en met rugzak? Geen van beide zijn van een merk, ja de rugzak is van de Postbank, maar dat telt hier waarschijnlijk niet. Het ziet er duur uit. Maar eigenlijk is dat precies wat ik wil, zo'n trui is tenslotte duur. En wat nou duur, ik kan makkelijk zo'n trui betalen en zij willen ongetwijfeld graag een trui verkopen. Toch durf ik niet. Misschien zijn er nog andere winkels die zo'n trui verkopen. Oger? Een typische mannenzaak. Donker hout, mooie meiden. Ze zien me aankomen. Maar een herentrui past mij ook goed, ik draag wel vaker herenkleding. Ik verman me: ik ben tenslotte een klant, ik kan toch zo naar binnen? Nee, dit gaat vast niet goed. Ik loop verder. Hé, dat is weer een Hugo Boss. Ziet er wel anders uit dan die eerste zaak. Alsof ze hier alleen maar pakken verkopen. Misschien hadden ze bij die eerste zaak truien en hier pakken. Nou ja, de PC Hooftstraat is nog lang. Deze maar niet. Hùh? Alweer een Hugo Boss. Wat gek. Zouden ze hier truien verkopen? Opnieuw sta ik op de drempel en kijk naar binnen. Het personeel kijkt me verwachtingsvol aan. Nou durf ik helemaal niet. Bang om besprongen te worden door mooie dames. Die niet snappen wat ik zoek. Of het niet hebben. Of, en daar ben ik nog het meest bang voor, me afkeurend bekijken. Ik heb niet zo'n mooi figuur als zij en ben ook niet meer zo jong. Tommy Hilfiger. Lijkt op zeemanskleren, maar dan sjiek. Blauwe en witte streepjes. Overdwars, dat is voor mij niet handig. Katoen. Dat zoek ik niet, dat is in de winter niet warm genoeg. Ik buig naar voren, maar blijf op de drempel staan. Nee, vast alleen maar katoen. Kijk een rode loper. Hier wordt de klant wel heel gastvrij ontvangen. Nu moet ik toch naar binnen kunnen. Ik ben de klant, ik heb geld en ik wil een dunne wollen trui. Terwijl ik naar binnen kijk, passeert een man me. Ook in spijkerbroek, maar dat is vast een merk. Hij is veel slanker dan ik. Een mooie dame vraagt of hij wat wil drinken. Wat is dit voor zaak? O, alweer een Oger. Laat maar. Langzaam maar zeker zakt de moed me in de schoenen. Ik wil alleen maar een trui en die hebben ze, maar ik durf nergens naar binnen. Dat heb ik nog nooit gehad. Ooit woonde ik in Amsterdam, toen had ik er geen last van. Maar toen was ik student, en kocht geen kleren in de PC Hooft. Nu ben ik Rotterdamse. Zou ik in Rotterdam wel dit soort zaken in durven? Waar zijn die eigenlijk? Ik kom nooit verder dan V&D of C&A. Edgar Vos. Die dan? Nee, die heeft mijn maat niet, dat zie je zo. Ernaast is weer een Hugo Boss. Ik steek de straat niet eens meer over. Teleurgesteld verlaat ik de PC Hooftstraat. Ik wil zo graag zo'n lekkere trui. Ook de Society Shop in de Van Baerlestraat weet me niet naar binnen te lokken. Terwijl die waarschijnlijk hele lekkere truien heeft. Eenmaal in het Concertgebouw word ik weer wat vrolijker. Het concert is prachtig. In de pauze zie ik mijn ideale trui lopen. Ik schiet de man aan: 'Mag ik u iets vragen?' 'Natuurlijk'. 'Ik vind dat u een prachtige trui aanhebt, mag ik vragen waar u die gekocht heeft?' 'Bij de Bijenkorf.' Gelukkig, daar durf ik wel naar binnen. |
© Joke Tacoma |
juni 2007 |
Met de dood op de hielen |
| 'Lichamelijke oefening' heet het laatste boek van Midas Dekkers en het gaat vooral over de onzin van het oefenen. De helft van het boek bestaat uit hoon voor de Körperkultur. De rest is samen te vatten in één zin: dieren doen niet aan sport, dus voor mensen is het ook overbodig. Als uitsmijter onthult hij dat al die joggers het nog niet weten, maar ze hollen zo omdat de dood ze op de hielen zit. Vanwaar die afkeer van sport, vraag ik me af. Ik weet niet anders of een mens is gemaakt om te bewegen. Het duurt even maar dan zie ik hem voor me: Midas als jongen. Walgend van de gymnastieklessen: lichamelijke oefening, bah. En bij het straatvoetbal is hij keeper, altijd. Staande tussen twee stapels jassen observeert hij het schouwspel. Met tegenzin komt hij in actie als de bal nadert. Zoiets zit je al jong in het bloed. De andere jongens zijn als stoeiende jonge vossen. Fanatiek proberen ze een één-tweetje. Gejuich bij een doelpunt. Ze lopen de benen uit hun lijf. Het is nog maar net licht als ik op nieuwe hardloopschoenen de deur uit ga. Eens per twee jaar, of na 1500 kilometer (wat ik nooit haal) zijn ze aan vervanging toe. Je moet goed voor je knieën zorgen. Verend snel ik over het bospad. Voor me niemand te zien, achter mij verlatenheid. Na een kilometer of twee ben ik door en door warm. Het lijf is een soepel draaiende machine. Of ik nu twintig jaar ben, vijftig of tachtig, maakt niet uit, dit is genieten. In een bocht komt een vrouw met een jonge boxer aan de lijn mij tegemoet. Ik versnel en lichtvoetiger dan bij mijn leeftijd past passeer ik haar. Wij groeten elkaar vriendelijk. Ik kan in één ruk doorlopen naar Parijs. Behalve twee vroege vissers en een Schotse Hooglander met lange horens kom ik niemand meer tegen. De endorfine in mijn bloed maakt me licht euforisch. Na een half uurtje verlaat ik het bos. Ontspannen loop ik uit en neem de laatste bocht, mijn straat in. Bij de voordeur kijk ik nog eens om. Van de dood geen spoor te bekennen. |
© Dick van den Berg |
juni 2007 |
Spagaat |
| Je kunt tegenwoordig geen krant of tijdschrift meer openslaan of je komt een paar spagaten tegen. In twee dagen tijd las ik over christenen in een spagaat over het homohuwelijk, voetbalhuurlingen in een spagaat tussen hun eigen club en de club waaraan ze zijn verhuurd, immigranten in een spagaat tussen twee culturen, sociaal democraten in een spagaat tussen links en het midden, de leider van de sociaal democraten in een spagaat tussen idealen en regeringsverantwoordelijkheid, en werkende moeders in een spagaat tussen werk en de zorg voor hun kinderen. Vanwege de vereiste lenigheid associeer ik een spagaat met slanke danseressen, en niet met gezette werkende moeders. Maar sociaal democraten gaat deze houding ook gemakkelijk af, want die zijn zo flexibel als een slangenmens. Jarenlang eisten ze een diepgravend onderzoek naar onze deelname aan de oorlog in Irak, waren ze voor een referendum over de Europese grondwet en was versoepeling van het ontslagrecht volstrekt onbespreekbaar. Om mee te mogen regeren denken ze daar opeens héél anders over. Het is voor hen te hopen dat ze geen last krijgen van een hernia. Ondertussen zit ik ook in een spagaat, namelijk of ik verder nog iets over de spagaat moet schrijven. |
© Adrie Kuil |
april 2007 |
Tafelmanieren |
| Natuurlijk heb ik mijn kinderen tafelmanieren geleerd. Met mes en vork eten. Vork in je linkerhand, mes in je rechterhand. Kauwen met je mond dicht. Ellebogen bij je houden. Niet smakken. Niet slurpen. Boterhammen hoeven niet met je vork, behalve als er iets kleverigs op zit zoals jam of een ei. Rijsttafel eet je met lepel en vork. Niet met je stoel wippen. Rekening houden met de anderen, nooit zo veel opscheppen dat een ander niets meer heeft. En ga zo maar door. Terwijl ik het opschrijf realiseer ik me dat het de normen en waarden uit mijn eigen opvoeding zijn. Voor mijn ouders - en vooral mijn moeder - was 'netjes' heel belangrijk. Beschaafd. Keurig. Als je dat was dan hoorde je erbij, dan viel je niet uit de toon. Mijn moeder kwam zelf uit een heel groot straatarm gezin. Misschien hadden ze wel een paar vorken en messen, maar ik denk dat ze vooral met lepels gegeten hebben. Niet een gezin waar op tafelmanieren werd gelet, meer een gezin waarin het een grote kunst was om iedereen te eten te geven. Haar vader was vaak werkloos, en in het begin van de vorige eeuw betekende dat gewoon armoede. Een van de succesverhalen van mijn moeder was dat zij als schattige kleuter naar de bakker gestuurd werd om een brood te halen. Niet te kopen, want geld was er niet en ze stonden al behoorlijk in het krijt. Dat brood kreeg ze niet mee, en haar moeder huilde toen ze met niets thuiskwam. Later kwam de bakkersvrouw stiekem een brood brengen dat ze onder haar schort verstopt had. Ze zal het wel niet gemogen hebben van haar man. Bij het beklimmen van de maatschappelijke ladder ontsteeg mijn moeder de armoede. Voor mij spreekt het daardoor vanzelf dat ik met mes en vork eet, ik heb nooit anders gezien. Net als dekschalen op tafel in plaats van pannen. Ook dat is een teken van beschaving blijkbaar. Servet op schoot en niet om je nek hoort daar ook bij. Later heb ik nog geleerd dat je bij een officieel diner altijd begint met het buitenste bestek. Die ontdekking is uit mijn studietijd, want officiële diners stonden niet op het programma van mijn moeder. Ik heb dus mijn best gedaan met mijn eigen kinderen, en ook weer alles doorgegeven waarvan ik vind dat het belangrijk is. Netjes eten en netjes praten, vooral niet plat. Niet met je handen eten, zelfs niet bij pannenkoeken. Je bord leegeten hoort er natuurlijk ook bij. Toen ze klein waren ging dat allemaal prima, ze deden het gewoon, wisten ook niet anders. Maar ja, wat gebeurt er als ze volwassen worden? Andere invloeden. Een dochter ging studeren op de toenmalige landbouwhogeschool in Wageningen, tussen de 'boeren'. Voor ik het wist at ze uit de pan, niks mes en vork, gewoon een lepel. Schalen op tafel? Wat een onzin, pannen zijn toch prima, blijft het meteen lekker warm. De andere kinderen hoefden daar helemaal niet de stad voor uit, ook in Rotterdam kun je op je eigen manier eten. Ze kunnen het nog wel, met mes en vork, maar alleen als het echt moet. Als ze bij mij eten bijvoorbeeld. Dan praten ze ook meteen weer eens Algemeen Beschaafd. |
© Els Ackerman |
Beurs |
| De metro piept en knarst als hij het station verlaat. Een jonge vrouw met blozende wangen kijkt voortdurend naar me. Dat doet ze al vanaf het moment dat ik instapte. Glimlachend. Ze zit een tiental stoelen verder, aan de andere kant van het pad. Zij rijdt achteruit, ik vooruit. Op de stoel naast haar staat een grote boodschappentas. Vrolijk lachend zwaait ze naar me. Haar parelwitte tanden glinsteren tussen haar volle lippen. Opgelaten staar ik naar de lege stoel voor me. Ik zal blij zijn als ik er bij Beurs uit kan, maar dat duurt nog even. Schuins kijk ik in haar richting. Grote blauwe ogen en springerig blond haar. Dertig schat ik. Ze knipoogt naar me. Snel kijk ik naar buiten. Woonkazernes glijden voorbij. De meeste woningen hebben een schotelantenne. Hier en daar hangt een was roerloos te drogen. De vrouw blijft me aankijken. Stralend. Bij elk station hoop ik dat ze uit zal stappen. De metro gaat ondergronds. Ik besluit om gewoon terug te kijken. De vrouw zet de boodschappentas op haar schoot. Ze wenkt me met haar hoofd, met haar hand tikt ze uitnodigend op de lege plaats naast haar. Ik schiet in de lach: vader heeft sjans. Met mijn hand onder mijn kin kijk ik half naar de grond, half naar haar. Het lijkt wel of ze bij iedere stop erop bedacht is dat ik uit zal stappen. Klaar om me te volgen. Ze probeert het nog eens met een kushandje. Leeft ze van de betaalde liefde? Maar ze is niet opgemaakt en draagt een zandkleurige broek met daaronder stevige stappers. Ze ziet er best wel pittig uit. Ik grinnik hardop bij die constatering. De metro mindert vaart. De vrouw gaat staan en steekt haar hand uit; 'Ga je mee lieverd?' zegt ze. Langs me rent een jongentje op haar af. 'Ik ben helemaal alleen in de metro meegerijd,' roept hij haar toe. 'Nou, groot hoor.' Ze aait hem liefkozend over zijn bol.' |
© Ees de Winter |
De Dikke en de Dunne |
| Ze komen de nieuwe combiketel installeren. Ik ben op mijn hoede, die cv-mannen ken ik nog van eerdere verbouwingen. Met boren van één meter lang banen ze zich splinterend een weg door de dikste balklagen. Na afloop zitten er leidingen op plaatsen waar ik ze niet had willen hebben. Klokslag acht uur staan ze op de stoep. Twee stresshanen van begin dertig. De één, gezet en met dun sluik haar commandeert de ander. Die lijkt op Stan Laurel: voortdurend een lichtverbaasde blik in de ogen. De Dikke en de Dunne. Na mijn uitleg over hoe ik het wil hebben gaan ze op zolder aan de slag. Om half negen is er heftig gebrul boven, de Dikke haalt venijnig uit: "Die had je allang uit de auto moeten halen. Schiet op man. Haal die klere dingen." De Dunne mept fel terug. Als ze tegen elkaar te keer blijven gaan beklim ik de trap: "Hallo mannen, houden jullie het nog een beetje leuk?" "Ach meneer, we schelden nooit op elkaar als we ruzie maken, dus dat valt wel mee." Ik knik en vraag of ze koffie willen. Over een half uurtje graag. Bij het tweede kopje doen mijn vrouw en ik mee. Ze tuimelen over elkaar met verhalen. Praten steeds harder. Naar elkaar luisteren zit niet in hun repertoire. De Dunne houdt van vissen. Ja vissen is leuk vindt ook de Dikke, maar je moet het niet overdrijven met een hengel van 1500 euro. Er gaat niets boven nachtvissen in het Lage Bergse bos, vindt Stan Laurel. Biertje erbij. Languit op de stretcher in je tentje. Drie hengels buiten met een pieper er op voor als je beet hebt. "Soms heb je wel eens een biertje teveel op," bekent hij. "Had ik gewed dat ik op zo'n Schotse Hooglander zou klimmen. Nou, die kunnen agressief worden, mevrouw, dan zijn die horens ineens giga-groot." Mijn vrouw kijkt verbaasd. Zijn maat gaat erover heen: de bekken van die karpers zijn enorm: handen tonen de omtrek van een ontbijtbordje. En bij het vissen op meerval in Frankrijk, dan zie je ineens zó'n kop voor je: handen uit elkaar ter grootte van een volle vuilniszak. De Dunne instrueert haar: bij een snoek niet het haakje uit zijn bek halen, knip de lijn maar door. Díe hebben tanden. "Wat ook leuk is: koeien omduwen," overtroeft de Dikke zijn collega. "Koeien omduwen?" vraag ik. "Ja die staan te slapen 's nachts in de wei. Dan sluip je ernaar toe en hoepla. Komen ze daarna achter je aan. Zijn ze pissig." Om kwart over elf zijn ze klaar. Of ik een stofzuiger voor ze heb. Ik teken hun uren-briefjes. "Ah, dat zijn jullie namen," zeg ik, dus niet het duo..."Jut en Jul," brult de Dunne. "En die nummers rechts boven zijn onze gevangenisnummers," vult de Dikke aan. Een paar dagen later krijg ik een enquête formulier: Hoe de installatie verlopen is... Met een glimlach maak ik er een prop van. De nieuwe ketel doet het prima. Het expansievat hangt net niet waar ik het had willen hebben. |
© Dick van den Berg |
april 2007 |
Meerkoet |
| Stel je bent meerkoet. Het is lente, en je partner heeft een mooi plekje uitgezocht voor jullie nest. Een klein eilandje, met fundering. Je maakt van takjes en plastic een solide nest. Je legt zes eieren en houdt ze lekker warm. Op een ochtend lijkt de wereld te vergaan. De helft van je nest spuit weg en het regent onophoudelijk. Je probeert je nest te herstellen en de eieren te redden. Eén ei dobbert van je weg, de anderen liggen er gelukkig nog. Wat te doen? Op je eieren zitten of je nest repareren? De eieren zijn belangrijk, dus blijf je zitten. Maar hoe houd je ze warm, als het water dat om je oren spuit zo koud is? Je schuift de eieren wat naar je toe, zo goed en zo kwaad als dat gaat, zodat ze niet in de kou liggen. Hé, het houdt op met regenen. De zon schijnt, maar is bijna onder. Opgelucht haal je adem. Wat een ellende was dat. Gelukkig is het voorbij. Je herschikt je nest, zodat de eieren en jijzelf er wat gerieflijker bij liggen. Je valt vermoeid in slaap. Van de stress en van de herrie. Eindelijk rust. De volgende morgen word je ruw gewekt: weer die regen. Weer een ei weggespoeld. Weer de helft van je nest weg. Zo blijft er niet veel over. Wat te doen? Dit gaat niet goed. Peinzend kijk je voor je uit. |
© Joke Tacoma |
maart 2007 |
Pan |
| Achterin mijn keukenkast staat een grote zwarte pan. Sinds ik op elektriciteit kook, heb ik hem niet meer gebruikt. Soep en goulash, in grote hoeveelheden maakte ik er in klaar. Wegdoen kan ik hem niet. Jeugdsentiment, herinnering aan de tijd dat ik hem kocht. We wonen tijdelijk in Stockholm, rond 1967. Alles is daar veel duurder dan in Nederland, dus van ons Nederlandse salaris doe ik zorgvuldig de boodschappen. Vlees is een onbetaalbare luxe. We eten veel knäckebröd, in eigen land nog geen gewoon ontbijtvoedsel. Ook veel diepvries, dat thuisbezorgd wordt door een soort boodschappendienst. Ik kan het opbergen in een van de drie koelkasten, een voor mij onbegrijpelijke luxe maar in Zweden blijkbaar heel gewoon. Aan het eind van ons driemaandelijkse verblijf wil ik graag wat herinneringen meenemen. De Scandinavische vormgeving van meubels en gebruiksvoorwerpen doet me likkebaarden, maar alles wat ik mooi vind is onbereikbaar duur. Tenslotte besluit ik als souvenir een pan aan te schaffen. In Nederland heb je in die tijd alleen saaie pannen die wel sterk zijn maar niet mooi. De keus valt op een grote zwarte pan, zoals ik er nog nooit een gezien heb. Een los houten handvat, waarmee je het deksel kunt optillen. Mooi, sterk en loodzwaar. Zo'n pan die vijftig jaar meegaat. 2007, veertig jaar later dus. Ik loop in de Rotterdamse Karel Doormanstraat een winkel binnen die alleen Finse kopjes, bordjes, glazen en pannen verkoopt. Beeldschoon. Daar zie ik mijn pan staan. Mijn pan. Precies dezelfde. Uit nieuwsgierigheid vraag ik de verkoopster naar de prijs. 'Die kost 190 euro, mevrouw'. Thuis met mijn rekenmachientje komt dat uit op ruim 418 gulden. Een pan van 418 gulden heb ik dus in mijn keukenkastje. Misschien heb ik er toen vijftig gulden voor betaald. In die tijd ook heel duur. Maar nog steeds beeldschoon. |
© Els Ackerman |
Sjans |
| Ik had sjans. In een restaurant. Alle tafels waren bezet. Met zo'n twintig andere hongerige mensen wachtte ik in de vestibule op een plaats. Ineens stond ze naast me. Een prachtige vrouw in een strakke glitterjurk. Niet veel jonger dan ik. Terwijl ze meebewoog op het ritme van de muziek, A Whiter Shade Of Pale van Procol Harum, zochten haar ogen de eetzaal af. Uren heb ik gedanst op dit deuntje. Eind jaren zestig. In halfduistere zaaltjes. Schuifelend op nog geen halve vierkante meter, in een innige omstrengeling met een meisje. Slijpen, zo noemden we dat. 'Jeugdsentiment,' zei ik tegen de vrouw. Met haar amandelvormige ogen keek ze me dromerig aan. Ze glimlachte naar me. Ik was afgepeigerd na een lange congresdag. Maar alle moeheid verdween door die lach, die vrouw. Ik waande me weer zeventien. Even geen veertiger met een drukke baan, vrouw en drie kinderen. Vanuit mijn ooghoeken nam ik haar op. Ze frummelde met het avondblad in haar hand. Ik probeerde me voor te stellen hoe zij er uit zag op haar zeventiende. Als Conny van Loon? Lang blond haar, minirok en hoge laarzen? 'Spannend, hè? Zo'n eerste keer.' Ze keek me begrijpend aan. Ik knikte, al begreep ik bij God niet wat ze bedoelde. Ze tikte met haar krant op de mijne. Ook een NRC. Er kwam een ober op ons af. 'Uw tafel is gereed. Twee personen?' 'Mijn vrouw kan ieder moment...' 'Volgt u mij maar,' onderbrak de ober me. Hij spurtte het restaurant in. Ik wierp een laatste blik op de schoonheid, gaf haar een knipoogje en rende de ober achterna. Ze was bijna nog eerder bij de tafel dan ik. Verbaasd keek ik haar aan. 'Jij bent toch Wim?' vroeg ze aarzelend. Ze hield de NRC omhoog. 'Ella.' De vrouw draaide zich om. 'Ik ben Wim,' zei een tamelijk gezette man met een flinke vetbult op zijn neusvleugel en een toupet kwaliteit keukentapijt op zijn hoofd. Hij zat aan het naburige tafeltje en zwaaide triomfantelijk met de NRC. Ze deinsde terug. 'Ella?' De man keek haar hoopvol aan. 'Nee, ik ben Ella niet. Echt niet.' Ze keerde zich weer naar mij. 'Mag ik gaan zitten?' Ik moest even slikken. Conny van Loon stond aan de rand van de dansvloer. Nonchalant was ik naar haar toe gelopen. A Whiter Shade Of Pale werd gedraaid. 'Zullen we dansen?' had ik gevraagd. 'Nee, ik ben met Bram,' had ze geantwoord. Bram was drie jaar ouder dan ik en basgitarist in een beatbandje. 'Nee, ik heb afgesproken met mijn vrouw.' Ze draaide met haar glitterbillen toen ze het etablissement uit liep. De man met het matje op zijn hoofd wierp me een vernietigende blik toe. Ik had zijn afspraakje verpest. Hij moest me haten, zoals ik Bram met de basgitaar haatte. 'Och,' zei ik tegen hem, 'wij zijn niet in de wieg gelegd voor een Conny van Loon.' Hij keek me aan of -ie water zag branden. |
© Ees de Winter |
Armstrong wint zijn achtste Tour |
| Juli 2006. De voorlaatste bergetappe van de Tour. Floyd Landis vertrekt vandaag in de gele trui. Hij heeft de eindzege voor het grijpen. Maar hij is nerveus deze ochtend: zijn oude kopman, Lance Armstrong, bezoekt de Tour. Hoe zat het ook weer? Begin 2005 verliet Landis de Discovery-ploeg. Hij had genoeg van het knechtenbestaan en werd kopman bij Phonak. Armstrong was razend over dit verraad: een knecht is persoonlijk bezit en Landis had so wie so te weinig kwaliteiten om kopman te zijn, laat staan dat hij de Tour kon winnen. Armstrong volgt de etappe in de ploegleiderswagen van Discovery. Het is bloedheet en de ene na de andere concurrent valt aan, als door een onzichtbare hand gestuurd. Landis moet alles pareren. Het tempo ligt hoger dan normaal. De Deen Rasmussen begint aan een solo-ontsnapping die hij urenlang volhoudt. Aan de voet van de laatste klim naar la Toussuire passeert de ploegleiderswagen van Discovery de achtervolgers van Rasmussen. Vanuit het open raam wuift Armstrong zijn voormalige knecht minzaam toe. Landis doet of hij hem niet ziet maar het is al te laat. Een allesomvattende krachteloosheid ontfermt zich over hem. Binnen een minuut zijn Floyds benen van pap. Links en rechts schieten renners van het tweede garnituur hem voorbij. Hij staat stil. Het is onverdraaglijk om aan te zien. Axel Merkx helpt hem naar de finish. Hij verliest zo'n tien minuten. Rasmussen wint de etappe met ruime voorsprong. Met holle ogen strompelt Landis een uur later zijn hotelkamer binnen. "This Tour was mine", stamelt hij. Woedend smijt hij zijn schoenen tegen de muur. Dan overvalt de schaamte hem. Een onmetelijke schaamte over deze afgang. Voor zijn bed zakt hij op zijn knieën en vouwt de handen: "Oh Heer, waar was U toen de duivel voorbij kwam? Help mij." Achter hem zwaait de kamerdeur open. Zijn soigneur komt binnen, flesje in hand. "Floyd, hiermee kan jij het zelfde als Rasmussen. Testosteron. En geen probleem met de dopingcontrole. We vertellen gewoon dat jij vanavond flink aan de alcohol bent geweest. Bij sommige mensen maakt het lijf daardoor enorm veel testosteron aan. Is wetenschappelijk vastgesteld." De volgende dag fietst Floyd, ver voor de anderen uit, in één ruk naar de finish. De pers krijgt te horen dat hij de klap van gisteren heeft verwerkt met het drinken van vier glazen whisky en twee glazen bier. Drie dagen later wint hij de Tour. Voorjaar 2007. 'De Tourdirectie ontneemt Floyd Landis definitief zijn zege in de Tour de France 2006 wegens testosteron-gebruik.' Lance Armstrong hoort het op de autoradio. Hij schudt het hoofd. Onhoorbaar passeert het zijn lippen: "Was toch bij Discovery gebleven jongen." |
© Dick van den Berg |
maart 2007 |
Hoe warm het was en hoe dichtbij |
| 'Good morning Mister Kuli.' De hotelportier begroet mij met een brede glimlach. Hij maakt een lichte buiging en opent de deur. 'Good morning,' antwoord ik en loop naar buiten. Mijn ogen moeten even wennen aan het felle zonlicht. De temperatuur is al ver boven de dertig graden Celsius. Een paar taxi's wachten op klanten, maar omdat ons kantoor hier in Doha op slechts vijfhonderd meter ligt besluit ik te lopen. Ik ben de enige wandelaar. Auto's racen voorbij. Veel grote modellen, want een liter benzine kost hier zo'n 15 eurocent. En belasting hoeven ze niet te betalen, want door de hoge prijs van olie en gas stroomt het geld binnen. Om mij heen is het één grote bouwput, ik tel meer dan tien torens in aanbouw. Aziatische gastarbeiders, waarschijnlijk Indiërs, worden met bussen op de bouwplaatsen aangevoerd. Veel groeit er niet op de dorre woestijngrond. Een plantsoenmedewerker besproeit de schaarse palmen langs de weg. Zonder water houd je het in dit klimaat niet lang vol. Inmiddels begrijp ik ook waarom ik de enige wandelaar ben... mijn overhemd is doorweekt. In het kantoorgebouw zoek ik een toilet op. Daar hangt aan de muur, in het Engels, de vraag: Welke kleur heeft uw urine? Geel, denk ik. Onder de vraag staat een nadere verklaring. Lichtgeel betekent niet uitgedroogd, lichtoranje een beetje uitgedroogd, maar donkeroranje betekent extreem uitgedroogd en in dat geval moet ik ONMIDDELLIJK water drinken! Ik bekijk mijn urinestraal deze keer aandachtiger dan normaal. Hij is donkergeel. Voortaan neem ik hier een taxi. |
© Adrie Kuil |
april 2007 |
Voorjaar |
| Ha, de zon. Dat is lang geleden. Ik strek me uit op de bank en ga lekker de hele middag lezen. Eindelijk rust. Eerst een pot thee zetten, dan hoef ik straks niet meer op te staan. Het duurt even voordat het water kookt en ondertussen kijk ik om me heen. De zon staat laag en laat onverbiddelijk het stof zien dat op mijn kasten en vensterbanken ligt. Zal ik? Welnee, ik ga lekker lezen. Het water kookt. Hè, in de keuken ligt ook allemaal stof. Dat heb je, als je een winter lang niets doet. Mijn rust is weg. Ik zie steeds meer stof. Ik probeer me op mijn boek te concentreren. Maar ik heb het idee dat ik in viezigheid lig. Van het boek komt niets meer. Als ik nou eens begin met dat kastje, dat is niet zoveel werk, dan ga ik daarna verder met het boek. Het kastje steekt even later akelig glimmend af bij de rest van het meubilair. Dan dat andere kastje ook maar. Terwijl ik mijn thee drink, kijk ik oplettend om me heen. De vensterbanken moeten ook. Maar als die leeg zijn, is het zonde om de ramen niet mee te nemen. Dan is het het handigste als ik de bank even opzij schuif. Wat schijnt die zon zeg, ik krijg het er warm van. Het raam kan wel open. Nu is het echt voorjaar. Eigenlijk zijn veel planten op de vensterbank te groot geworden. Ik moet ze stekken. Gelukkig heb ik nog aarde. Het is niet handig om de planten zo weer op de vensterbank te zetten, het is beter als ik ze gelijk even stek. Zoveel werk is dat toch niet? Het wordt koud. Ik kijk om me heen: twee glimmende kastjes, een vloer vol bloempotten, een krant met aarde, vieze vensterbank en vieze ramen. Het boek ligt ongelezen op de bank. De zon is weg. |
© Joke Tacoma |
maart 2007 |
Damesroman |
| Op de middelbare school ontdekte ik dat er drie soorten boeken bestaan: keukenmeidenromans, damesromans en literatuur. Alleen de laatste was toegestaan. Nu kom ik niet uit een literair gezin. Mijn moeder las veel en graag, schrijvers die nu vergeten zijn zoals Ina Boudier Bakker en Top Naeff. Daar kon je op de middelbare school niet mee aankomen. Keukenmeidenromans bestaan niet meer, wel de boeketreeks die bij ladingen in de supermarkt verkocht wordt en chicklit met fraaie roze kaftjes. In de literaire wereld heet dit 'triviaalliteratuur', en uit onderzoek blijkt dat veel hoogopgeleide vrouwen het graag lezen. Damesroman is een term die met de emancipatie verdwenen was, dacht ik. Net als de dame. Tot ik een keer op de radio een boekbespreking van Martin Ros hoorde. Hij besprak een boek van Pauline Slot, en daarbij gebruikte hij de term 'de nieuwe damesroman'. Een woord om de vlag bij uit te steken, zo goed dekt het de lading. Boeken, door vrouwen geschreven, die niet het niveau halen van 'echte' literatuur, maar die bij honderdduizenden verkocht worden aan vrouwen. Nu heb ik onlangs het eerste boek van Pauline Slot gelezen, Zuiderkruis. In het begin was ik zeer geboeid, maar op een gegeven moment had ik genoeg en aan het eind voelde ik me teleurgesteld. Bij Lulu Wang kom ik niet verder dan de eerste bladzij, maar er zijn blijkbaar honderdduizenden die het langer volhouden. Alleen Heleen van Royens 'Gelukkige Huisvrouw' las ik achter elkaar uit. Zoveel is er dus niet veranderd in de wereld. De nieuwe damesroman wordt verslonden door vrouwen die zichzelf geen dame meer noemen, maar die blijkbaar dezelfde smaak hebben als vele generaties voor hen. Toch is er een verschil. Op mijn middelbare school telde je niet mee als je niet minstens Multatuli las, Top Naeff mocht niet op de boekenlijst. Ik heb gezien dat Heleen van Royen nu al voorkomt in de uittreksellijsten op internet. Geen docent die haar boeken zal afwijzen. De nieuwe damesroman heeft een grote toekomst. |
© Els Ackerman |
Aangifte |
| Het is 11 maart. In een gouden gloed boort de zon zich door de wolken. Ik loop er recht op af. Muziek van een draaiorgel klinkt van ver, tot het gevaarte ineens de hoek omkomt. 'Koning Voetbal' spoelt over me heen, tetterende marsmuziek. Tien stappen lang geef ik er niet aan toe, dan loop ik krachtig in de maat. Zonder de pas in te houden gooi ik wat munten in het bakje van de orgelman. Hij draait sierlijk met me mee, grijns op het gezicht. In 'up tempo' stap ik richting stadhuis. Er zit voorjaar in de lucht en onmerkbaar haast gaat het lopen over in zweven. Sinds twee dagen ben ik vader. |
© Dick van den Berg |
Voorlezen |
| Jan Siebelink leest voor uit zijn succesroman Knielen op een bed violen. Hakkelend. Driehonderd mensen luisteren. Na een paar zinnen kijkt hij op. 'Voorlezen uit eigen werk is niet mijn sterkste punt,' zegt hij. 'Bij iedere zin zie ik weer de beelden die ik had toen ik hem opschreef. De herschrijvingen. En zelfs nu denk ik nog: het zou ook zo kunnen. Dat leidt af.' Hortend leest hij verder. Ik luister geboeid. Voel het gevecht met woorden: de worsteling die schrijven is. Als Siebelink het boek dichtslaat, zegt hij met een ondeugende blik in zijn ogen: 'Ik troost me met de gedachte dat er schrijvers zijn die prachtig voorlezen uit een slecht geschreven boek.' |
© Ees de Winter |
januari 2007 |
Ontwerp |
| De hoofdingang van het warenhuis heeft een rij glazen deuren. Iedere deur heeft zowel aan de binnenkant als aan de buitenkant een metalen stang. Ik duw tegen de middelste deur, maar hij geeft niet mee. Nu pas zie ik de tekst 'Trekken'. Ik trek de deur open en ga naar binnen. Altijd heb ik problemen met dit soort deuren. Bij sommige moet je trekken, bij andere aan de linkerkant duwen of aan de rechterkant, en soms gaan ze uit zichzelf open. Ik zoek een overhemd uit en loop naar de dichtstbijzijnde kassa. 'Betaalt u cash of wilt u pinnen?' vraagt het kassameisje. Ik haal mijn pinpas tevoorschijn. 'Haalt u hem er maar doorheen.' Ik haal de kaart door het pinapparaat. Er gebeurt niets. 'De magneetstrip moet aan de rechterkant,' zegt het meisje, 'anders doet ie het niet.' Ik volg haar aanwijzing op, maar weer gebeurt er niets. 'U moet hem er snel doorheen halen.' Ze spreekt me toe zoals een schooljuffrouw een kind toespreekt dat niet goed mee kan komen. Achter mij vormt zich een rij dames. Ik voel hun ongeduldige blikken in mijn rug priemen. Ik krijg het steeds warmer. Voor de derde keer haal ik de kaart er doorheen. Shit... het lukt weer niet. Waarom maken ze niet iets waarmee het in één keer goed gaat! 'Zal ik het even proberen?' vraagt het meisje. Het duurt haar kennelijk te lang. Ik geef haar mijn kaart, ze wrijft hem over haar mouw en haalt hem met een vloeiende polsbeweging door het apparaat. 'Toets uw pincode in' verschijnt er op het scherm. Haar lukt het dus wel! Kan ik dan helemaal niks? Na betaald te hebben loop ik naar een zijuitgang met dezelfde glazen deuren als de hoofdingang. Dit keer let ik goed op, er staat 'Duwen'. Een vrouw komt van buiten aanlopen en duwt tegen een deur. Ik ben dus niet de enige die deze stomme fout maakt. Maar... de deur zwaait open en valt achter haar weer dicht. Stomverbaasd duw ik tegen de deur... van binnen uit gaat hij ook open. Terwijl de deuren bij de hoofdingang maar naar één kant opengaan! Wie heeft dit bedacht? Ontstemd loop ik naar buiten. |
© Adrie Kuil |
februari 2007 |
Geverfd haar |
| De televisie-recensent meldt dat Balkenende zijn haar verft. Balkenende? Van Willem-Alexander vermoed ik het al jaren, maar Balkenende? Dat ligt niet in zijn aard, dat moet een spin-doctor bedacht hebben. Ik snap niet dat mensen hun haar verven. Eerst waren het alleen vrouwen, maar nu zie je steeds meer mannen. Ik vind het geen gezicht. Ongeverfd haar heeft allerlei kleuren. Elke haar is net weer even anders. Dat maakt het mooi. Bij geverfd haar hebben alle haren dezelfde kleur. Per hoofd overigens wel een andere kleur. Van peenoranje tot donkerbruin. En zwart. Zwart is het ergste, dan is het haar helemaal dood, er zit geen sprankje variatie meer in. Op televisie zie je hoe het haar geverfd wordt. Eerst een pasta erin kwasten, dan zilverpapiertjes in het haar en wachten. Haar groeit een centimeter per maand. Dus moet je minstens iedere maand verven. Hoewel, steeds minder mensen zitten met uitgroei. Zelfs Máxima, je ziet bij de scheiding dat ze donker is. Het verbaast me dat ze blonde kinderen heeft. Zo recessief is blond niet. Misschien is het een kwestie van tijd, worden haar kinderen in de puberteit nog donker. Waarom wil iemand zich niet laten zien zoals hij of zij is? Blond is aantrekkelijker dan donker. Grijs is oud. Tja, dat worden we allemaal. Laten we daar blij mee zijn, degenen die niet oud worden zijn tenslotte nog veel minder te benijden. Kennelijk mag je geen oude uitstraling hebben: kinnen, wangen en ogen worden immers ook gelift. Zou Balkenende....? |
© Joke Tacoma |
Les Amants |
| Vol met indrukken ga ik zitten op het bankje in de nis van de museumzaal. Ik laat de overzichtstentoonstelling van het werk van René Magritte op me in werken. Met de nodige scepsis ben ik naar Boymans gekomen. Surrealisten als Dali en Willink met hun desolate landschappen geven me een onbehagelijk gevoel. Magritte zou wel niet anders zijn. Echter, van de eerste teke |